RSS

Zoek informatie

Uitgebreid zoeken zoek Toon alles zoek
zoek

Geef informatie

  zoek
terug | printen
Laatste wijziging: 06 dec 2010
Organisaties > Overheden en semi-overheden:

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)


Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is het onderzoeksinstituut van de overheid op het gebied van volksgezondheid en milieu. Het RIVM verricht niet alleen zelf onderzoek, maar verzamelt ook wereldwijd kennis en past die kennis toe. Het brengt jaarlijks een groot aantal rapporten en adviezen uit.
 
Het RIVM voert met name onderzoek uit voor de ministeries van VWS, I&M en EL&I, inspecties en internationale organisaties zoals de Europese Unie en de Verenigde Naties.

Postadres:
Postbus 1
3720 BA  Bilthoven

Bezoekadres:
Antonie van Leeuwenhoeklaan 9
3721 MA  Bilthoven

Telefoon: 030 - 274 91 11
Fax: 030 - 274 29 71



Website: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Email: info@rivm.nl


Gerelateerde informatie in het Monitoringportaal:



Organisaties

Maatschappelijke organisaties (1)
 
Vlinderstichting
 

De Vlinderstichting is een natuurbeschermingsorganisatie die zich sterk maakt voor het behoud en herstel van vlinders en libellen in Nederland en Europa. Door gericht onderzoek, monitoring en het geven van adviezen zet de Vlinderstichting zich in voor vlinders en libellen.

De Vlinderstichting werkt vaak samen met of in opdracht van anderen, bijvoorbeeld Vereniging Natuurmonumenten, CBS, RIVM, provinciale landschappen, ministerie van EL&I, provincies en gemeenten.

De Vlinderstichting is lid van de Stichting VeldOnderzoek Flora en Fauna (VOFF) en levert bijdragen aan het Landelijk Meetnet Vlinders en het Landelijk Meetnet Libellen.


Website: Vlinderstichting
Email:info@vlinderstichting.nl
Overheden en semi-overheden (5)
 
Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M)
 

Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) is verantwoordelijk voor de desbetreffende sectoren van de Nederlandse overheid.

I&M is ontstaan uit een samenvoeging van (onderdelen van) het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu en het voormalige ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Telefoonnummer: 070 - 456 61 71
Overige contactgegevens: zie de I&M-website


Website: I&M
 
Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I)
 

Het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) is verantwoordelijk voor de desbetreffende sectoren van de Nederlandse overheid. Tot het werkveld van het ministerie behoort ook natuur.

EL&I is ontstaan uit een samenvoeging van het voormalige ministerie van Economische Zaken en het voormalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Telefoonnummer: 070 – 379 8911
Overige contactgegevens: zie de EL&I-website


Website: EL&I
 
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
 

Het Ministerie van Volkgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is verantwoordelijk voor het overheidsbeleid op het terrein van de gezondheidszorg, de maatschappelijke zorg en sport.

Postadres:
Postbus 20350
2500 EJ  Den Haag

Bezoekadres:
Parnassusplein 5
2511 VX  Den Haag

Telefoon: 070 - 340 79 11
Fax: 070 - 340 78 34


Website: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Email:info@minvws.nl
 
Expertisecentrum Geluid
 

Het Expertisecentrum Geluid geeft rijksbrede ondersteuning op het gebied van geluid, geluidshinder en gezondheid. Het centrum verzamelt en ontwikkelt kennis en kunde op het gebied van meet- en rekenvoorschriften voor geluid, monitoring en effecten- en 'impact' onderzoek.

Organisatie:
Het Expertisecentrum is onderdeel van het RIVM.


Website: Expertisecentrum Geluid
Email:info@rivm.nl
 
Centrum voor Milieu Monitoring
 

Dit centrum van het RIVM is het kenniscentrum voor de monitoring en interpretatie van de milieukwaliteit. Het centrum is expert in de analyse van bodem, grond(water), lucht en geluid.

Taken:

  • Monitoren van bodem, (grond)water, lucht en geluid
  • Optimaliseren van de monitoring om kwaliteit en continuïteit te garanderen
  • Modelleren, interpreteren en evalueren van de gegevens
  • Rapporteren aan de Nederlandse en Europese overheid
  • Fungeren als referentiecentrum voor andere organisaties die milieukwaliteit meten of modelleren
  • Adviseren van Nederlandse en Europese beleidsinstanties

Het Centrum voor Milieu Monitoring werkt samen met onder andere de volgende organisaties: DCMR, GGD Amsterdam, provincies en gemeenten, LEI, WUR, PBL, TNO Bouw en Ondergrond, Deltares, Alterra, ECN, AgentschapNL, IPO en KNMI.

Telefoon: 030 - 274 86 49


Website: Centrum voor Milieu Monitoring
Email:cmm@rivm.nl
Overig (1)
 
Erbij
 

Erbij is een uitwisselingsforum voor professionals. Experts op het gebied van milieu-informatie, moderne webtechnologie en meta-informatie standaarden werken hier samen aan het harmoniseren van overheidsinformatie en een verbeterde toegang tot milieu-informatie. Op de webpagina erbij/kwali-tijd werken de Provincies, IPO en het RIVM samen om de kwaliteit van de bodem- en grondwatermeetnetten onderling vergelijkbaar te maken.

RSS: http://www.erbij.nl/erbij_tot_rss.asp
Twitter: http://www.twitter.com/erbij
Erbij op Overheid 2.0: http://www.overheid20.nl/workspaces/index/73/erbij


Website: Erbij
Email:info@erbij.nl
 

Overleggroepen

Overleggroepen (14)
 
Overleg Lucht Metingen (OLM)
 

Het OLM is een technisch afstemmingsoverleg om metingen vergelijkbaar te maken.

 

Participerende organisaties: RIVM, VMM, Provincies, Gemeenten
Voorzittende organisatie:
RIVM
Voorzitter:
Hans Verboom


Email:info@rivm.nl
 
Platform voor Integrale Energie- en Emissieverkenningen (PIE)
 

PIE is door de doelgroep Energie ontwikkeld in nauwe samenwerking met het ECN. Het is een integratieplatform dat de grootte en de samenstelling van de vraag naar energiedragers door de verschillende sectoren koppelt aan het aanbod van de energieproductiesector.

 

Organisaties: PBL, RIVM en ECN


Email:info@rivm.nl
 
LOK-CEV overleg
 

Het Planbureau voor de Leefomgeving (team Leefomgevingskwaliteit, LOK) en het Centrum voor Externe Veiligheid (CEV) van RIVM hebben een leveringscontract voor data over externe veiligheid.

Het LOK-CEV overleg bewaakt de uitvoering van dit contract.

Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving. Het betreft risico’s bij het gebruik, de opslag in bedrijven en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, LPG en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Ook de risico's van luchthavens vallen onder externe veiligheid.


Email:guus.dehollander@pbl.nl
 
Opdrachtgever-opdrachtnemer overleg Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG)
 

Overleg tussen opdrachtgever en opdrachtnemers over het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit.

 

Participerende organisaties: I&M/DGM, RIVM, TNO
Voorzittende organisatie: DGM
Voorzitter: Kees Plug


Email:kees.plug@minvrom.nl
 
Opdrachtgever-opdrachtnemer overleg Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB)
 

Overleg tussen opdrachtgever en opdrachtnemers over het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit 

 

Participerende organisaties: I&M/DGM, RIVM, TNO
Voorzittende organisatie: DGM
Voorzitter: Kees Plug


Email:kees.plug@minvrom.nl
 
Klankbordgroep INSPIRE
 

De Klankbordgroep richt zich op het vormgeven van de Nederlandse inbreng in de Expert Group INSPIRE alsmede de implementatie van INSPIRE in Nederland.

 

Participerende organisaties: Alterra, CBS, Kadaster, KNMI, I&M, PBL, TNO, VNG, GeoNovum, GBN, Dienst der Hydrografie, DLG, IOG-GEO, LSV-GBKN, RIVM, RWS, UvW
Voorzittende organisatie:
GeoNovum
Voorzitter: Ruby Beltman


Email:r.beltman@geonovum.nl
 
Stuurgroep Monitoring
 

De Stuurgroep Monitoring heeft tot doel een verbetering van de samenhang, efficiëntie en effectiviteit van monitoring, de hieruit volgende rapportages en de bijbehorende data- en informatie-uitwisseling voor milieu, natuur en water. De stuurgroep geeft uitvoering aan de Samenwerkingsovereenkomst Monitoring van IPO, RIVM, PBL en de ministeries van EL&I en I&M.

De Stuurgroep wordt ondersteund door de Werkgroep Monitoring.

Participerende organisaties: IPO, RIVM, PBL, EL&I, I&M
Voorzitter Stuurgroep: Kees Plug (I&M)
Voorzitter Werkgroep en contactpersoon: Birgit Loos (RIVM)


Email:birgit.loos@rivm.nl
 
Overleggroep Nieuwe Inspectie Methodiek (NIM)
 

Overleg van de uitvoerders Alterra en RIVM met de opdrachtgevers EL&I en I&M over inhoudelijke en organisatorische aspecten van de Nieuwe Inspectie Methodiek (NIM). 

 

Participerende organisaties: I&M/DGM, EL&I, Alterra, RIVM, PBL
Voorzittende organisatie: ministerie van I&M
Voorzitter: Peter Henkens


Email:peter.henkens@minvrom.nl
 
Overleg Relatiebeheerders Trend Meetnet Verzuring (TMV)
 

Overleg tussen opdrachtgever en opdrachtnemers over alle aspecten van het Trend Meetnet Verzuring.

 

Participerende organisaties: DGM, RIVM, EL&I
Voorzittende organisatie: DGM
Voorzitter: Kees Plug


Email:kees.plug@minvrom.nl
 
Overleg Enquête Bestrijdingsmiddelen
 

De Enquête Bestrijdingsmiddelen Landbouw heeft tot doel het verkrijgen van landelijke gegevens over chemische, biologische en mechanische bestrijding in de belangrijkste gewassen in de land- en tuinbouw. Het Overleg Enquête Bestrijdingsmiddelen bespreekt de inhoud van de enquêtes voorafgaande aan een nieuwe enquête-ronde.

 

Participerende organisaties: CBS, RIVM, PBL e.a.
Voorzittende organisatie: CBS

Contactpersoon: Rob Vijftigschild (CBS)


Email:rvfd@cbs.nl
 
Begeleidingscommissie Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM)
 

Diverse organisaties hebben zitting in de commissie en adviseren aan de ministeries van EL&I en I&M over inhoudelijke, organisatorische en financiële aspecten van het LMM. Klik hier voor meer informatie over het LMM. 

Participerende organisaties: I&M/DGM, EL&I, RIVM, LEI, PBL
Voorzittende organisatie: DGM/BWL
Voorzitter: Rinske van Tol

 

Websites:

LMM-website RIVM (o.a. over monsterneming en ontwikkeling grondwaterkwaliteit)

LMM-website LEI (o.a. over mestgebruik, stikstofbodemoverschotten en Bedrijven-InformatieNet) 


Email:lmm@rivm.nl
 
Emissieregistratie (ER) Trendanalysedag
 

De Emissieregistratie (ER) wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van I&M. De Trendanalysedag draagt jaarlijks zorg voor het analyseren en vaststellen van de trends alsmede het controleren van de gegevens.

 

Participerende organisaties: ER, PBL, de Waterdienst, RIVM en LEI
Voorzittende organisatie: Emissieregistratie
Voorzitter: Paul Ruyssenaars


Website: Emissieregistratie
Email:paul.ruyssenaars@pbl.nl
 
Projectgroep PEARL
 

De projectgroep richt zich op de ontwikkeling van het systeem PEARL.

 

Het nieuwe PEARL model beschrijft het gedrag van bestrijdingsmiddelen in het bodem-plant systeem en de emissie van deze middelen naar de omgeving. Het model wordt gebruikt in combinatie met het hydrologisch model SWAP. Met het model kunnen verschillende gewasrotaties en toedieningsmethoden van bestrijdingsmiddelen worden doorgerekend.


Het model houdt rekening met verschillende evenwichts- en niet-evenwichtssorptie mechanismen.

 

Participerende organisaties: PBL, Alterra, RIVM


Email:aaldrik.tiktak@pbl.nl
 
Begeleidingsgroep DGM bod
 

Het Directoraat-Generaal Milieu (DGM) is opgegaan in andere organisatieonderdelen van het ministerie van VROM (nu: I&M).


DGM heeft aangeboden om de provinciale monitoring te bundelen en onder te brengen bij het RIVM, zodat uniformering van monitoring mogelijk is. DGM heeft verder aangeboden (het zogenaamde DGM bod) voor financiering van deze monitoring zorg te dragen, wanneer de provincies de (provinciale) monitoring onderbrengen bij het RIVM.

Het rapport Inventarisatie DGM-bod is inmiddels opgeleverd. Er heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden over een eventueel vervolg.


 

Produkten

Publicaties (127)
 
Ammoniak in Natuurgebieden: meetresultaten 2005 - 2007
 

Samenvatting:
De gemiddelde ammoniakconcentratie in natuurgebieden varieert sterk. In grote natuurgebieden zijn de concentraties lager dan in kleine gebiedjes. De concentratie is namelijk afhankelijk van de afstand van (lokale) agrarische activiteiten tot het gebied, aangezien deze de voornaamste ammoniakbron vormen. De invloed van snelwegen op de aangrenzende natuur blijkt beperkt met een verhoging van 1 tot 2 mug/m3. Dit blijkt uit de eerste drie jaar aan meetresultaten van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden, die zijn gecontroleerd en met behulp van referentiemetingen gekalibreerd.

Met het meetnet wordt de invloed van ammoniakbronnen buiten de natuurgebieden in beeld gebracht. Het is in 2005 opgezet om ammoniakconcentraties in de natuur te volgen en de modelberekeningen van de concentratie te toetsen die standaard worden gebruikt. De metingen vinden plaats in Natura 2000-gebieden die door hun ligging op arme zandgronden kwetsbaar zijn voor bemesting door de atmosferische aanvoer van ammoniak.

Met zogeheten passieve samplers (buisjes), een eenvoudige en goedkope methode, worden maandgemiddelde ammoniakconcentraties in de lucht gemeten in 29 natuurgebieden verspreid over heel Nederland. Om inzicht te krijgen hoe de ammoniakconcentratie varieert binnen een natuurgebied wordt op meerdere locaties in een gebied gemeten.

De ammoniakconcentraties zijn ook berekend met een nieuwe, experimentele versie van het model OPS van het RIVM en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). De berekeningen komen goed overeen met de metingen. Dit bevestigt dat het voormalige verschil tussen berekende en gemeten ammoniakconcentraties, het zogeheten ammoniakgat, door de gemaakte aanpassingen in het model zo goed als verdwenen is. Alleen de gemeten concentraties in de duingebieden zijn, hoewel heel laag, enkele malen hoger dan de berekeningen.

Auteurs:
A.P. Stolk, M.C. van Zanten, H. Noordijk, J.A. van Jaarsveld en W.A.J. van Pul

Jaar van uitgave:
2009


Website: Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden: meetresultaten 2005 - 2007 (PDF)
 
Aansluiting MNP-instrumentarium bij de Vogel- en Habitatrichtlijn
 

Samenvatting:

Dit rapport beschrijft de resultaten van onderzoek naar het opzetten van een kennissysteem voor soorten- en gebiedenbeleid voor het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP).

 

Het kennissysteem richt zich met name op de doelstellingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn.Uitgangspunt van een prototype van het kennissysteem is het huidige ecologische kennissysteem van het MNP, waarin graadmeter, meetnetten en modellen een belangrijke rol spelen.

 

Onderzocht is of het huidige kennissysteem voldoet voor het doen van uitspraken over de VHR, welke knelpunten er zijn en hoe deze opgelost kunnen worden. De verbeteringen vormen in samenhang met het al bestaande instrumentarium het eerste prototype van het kennissysteem voor de VHR. Naast uitleg van de diverse onderdelen van het kennissysteem worden ook voorbeelden van toepassingen van dit kennissysteem beschreven.

 

Het prototype kennissysteem bevat informatie over (1) waar welke doelen gelden, (2) waar welke soorten en habitats nu voorkomen (gemeten en/of statistisch voorspeld), (3) wat de historische trends in mate van voorkomen van deze soorten zijn (ofwel landelijk gemiddeld of wel gebiedsspecifiek) en (4) hoe het voorkomen van soorten afhangt van ruimte- en/of milieudruk (in beeld gebracht door directe en/of indirecte relaties met modeluitkomsten ofwel via berekening van toelaatbare milieu- en/of ruimtedruk -c.q. "ecologische vereisten"- in termen van minimaal habitatoppervlakte of maximaal toelaatbare kritische depositie).

 

Daarnaast is een methode ontwikkeld om de invloeden van depositie op VHR-gebieden goed in beeld te brengen.

 

Auteurs:
A. van Hinsberg, D.C.J. van der Hoek, M.L.P. van Esbroek, H. Noordijk, B. de Knegt B, M.P. van Veen, P.J.T.M. van Puijenbroek en O.M. Knol

 

Rapportnummer:

RIVM Rapport 550018001

 

Jaar van uitgave:

2004


Website: Aansluiting MNP-instrumentarium bij de Vogel- en Habitatrichtlijn (PDF)
 
Achtergrondconcentraties en relatie met bodemtype in de Nederlandse bodem
 

Samenvatting:

Door recente data is de kennis over de chemie van de Nederlandse bodem flink toegenomen. Deze kennis is van belang bij het beoordelen van risico's van onder andere aanwezige zware metalen. Deze zware metalen komen deels van nature voor in de bodem maar zij zijn ook het gevolg van menselijk handelen. Door het afleiden van rekenkundige relaties is het mogelijk om het natuurlijke aandeel van de metalen te schatten. Daarnaast kan ingeschat worden welke invloed de mens heeft gehad op de toename van de concentraties. Deze relaties kunnen ook gebruikt worden als basis voor een zogenaamde 'bodemtypecorrectie', een methode uit de Nederlandse bodempraktijk om bodemconcentraties en bodemnormen te standaardiseren op basis van het gehalte aan klei en organische stof in een bodemmonster.

 

De afgeleide relaties beperken zich tot de zware metalen, arseen en antimoon. Zij zijn gebaseerd op de relatie met de kleimineralogie. Ondanks wat tot nu toe werd aangenomen, heeft het gehalte aan organische stof geen invloed op de variatie van de natuurlijke concentraties van metalen. Voor organische stoffen zoals polycyclische aromaten kunnen ook relaties afgeleid worden maar dit is niet uitgevoerd wegens het ontbreken van data. In deze studie worden het principe en de methodiek achter de rekenkundige relaties uitgelegd. Daarnaast wordt uitgelegd welke rol deze relaties kunnen spelen voor het berekenen van de risico's van stoffen in de bodem en hoe deze kunnen worden toegepast als bodemtypecorrectie.

 

Auteurs:
J. Spijker J, P.L.A. van Vlaardingen en G. Mol

 

Rapportnummer:

RIVM rapport 711701074

 

Jaar van uitgave: 

2007


Website: Achtergrondconcentraties en relatie met bodemtype in de Nederlandse bodem (PDF)
 
Ammonia exchange measurements over a corn field in Lelystad, the Netherlands in 2009
 

Nederlandse titel:
Ammoniakuitwisselingsmetingen boven een smijmaisveld in Lelystad, Nederland in 2009

Samenvatting:
Ammoniak in de buitenlucht is in Nederland voor het merendeel (90%) afkomstig van agrarische activiteiten. Nog niet alle emissieposten zijn helder in beeld. Een van die posten is de emissie van landbouwgewassen die voornamelijk plaatsvindt bij hogere temperaturen en tijdens het afrijpen (afsterven) van het gewas. In dit rapport wordt verslag gedaan van emissiemetingen van ammoniak boven een snijmaïsveld in Lelystad in 2009. Door omstandigheden is een groot deel van de relevante  metingen verloren gegaan; in dit rapport wordt daarom voornamelijk de gebruikte techniek uitgelegd. 
 
Auteurs:
R.J. Wichink Kruit, H. Volten, M. Haaima, D.P.J. Swart, M.C. van Zanten en W.A.J. van Pul

Rapportnummer:
RIVM Rapport 680180002

Jaar van uitgave:
2010


Website: Ammonia exchange measurements over a corn field in Lelystad, the Netherlands in 2009 (PDF)
 
Benchmark en Beleidstoets voor de Drinkwatersector: indicatoren Waterkwaliteit en Milieu
 

Samenvatting:
De aanleiding van de studie is het voornemen van de Minister van VROM de benchmark op te nemen in de Waterleidingwet. Deze verplichte benchmark zal bestaan uit vier onderdelen: waterkwaliteit, dienstverlening, milieu en financiën. De drinkwatersector voert sinds 1999 op vrijwillige basis een benchmark uit. De informatie in de vrijwillige benchmark over de prestaties op het gebied van waterkwaliteit is eenzijdig. Daarom stelt het RIVM voor het onderdeel waterkwaliteit, behalve een verplichte prestatievergelijking (benchmark) ook een beleidstoets voor.

  

De doelgroep voor de prestatievergelijking zijn alle 'stakeholders' en voor de beleidstoets de rijksoverheid. De waterleidingsector kan de prestatievergelijking zelf uitvoeren. Een onafhankelijke instelling (bijvoorbeeld de Rekenkamer of het RIVM) kan de beleidstoets uitvoeren. Indicatoren voor waterkwaliteit (prestatievergelijking en beleidstoets) en milieu zijn in dit rapport beschreven.

  

Een van de indicatoren voor de prestatievergelijking is de Waterkwaliteitsindex (WKI). De WKI is een getal, gebaseerd op drinkwaterkwaliteitsgegevens, waarmee op een hoog abstractieniveau de waardering van de drinkwaterkwaliteit tussen de waterleidingbedrijven wordt vergeleken. De WKI die de bedrijfstak gebruikt in de vrijwillige benchmark is geëvalueerd. Het RIVM doet naar aanleiding hiervan voorstellen voor veranderingen van de WKI. Het RIVM heeft samen met de VEWIN de voorstellen uitgewerkt tot een operationele WKI 'nieuwe stijl'.

  

Voor het onderdeel milieu van de prestatievergelijking is de milieu-Levenscyclusanalyse (m-LCA) goed toepasbaar, maar er mist een goede indicator voor het onderwerp verdroging. Verdroging als gevolg van grondwaterwinning is het belangrijkste onderwerp als het om de milieubelasting van de sector gaat. De milieubelasting van de drinkwatersector vergeleken met andere netwerksectoren is relatief gering. Het belangrijkste onderwerp van de milieubelasting maakt geen deel uit van de m-LCA. Daarom is het de vraag of het zinvol is dit relatief complexe instrument in te zetten voor de verplichte benchmark. Wellicht kan worden volstaan met indicatoren voor de meest relevante onderwerpen namelijk: verdroging/vernatting; energieverbruik; milieuvriendelijke energieverbruik en hergebruik van afvalstoffen. De overige indicatoren voor de prestatievergelijking en de beleidstoetsing zijn in dit rapport op hoofdlijnen weergegeven. Nadere uitwerking zal in een vervolgopdracht plaatsvinden. 

Auteurs:

J.F.M. Versteegh, B.H. Tangena en J.H.C. Mulschlegel

 

Rapportnummer:

RIVM rapport 734301023

 

Jaar van uitgave: 

2004


Website: Benchmark en Beleidstoets voor de Drinkwatersector: indicatoren Waterkwaliteit en Milieu (PDF)
 
Beoordeling van de risico's van bodemverontreiniging met asbest
 

Samenvatting:
Er is een methodiek ontwikkeld, gebaseerd op een stapsgewijze aanpak, om de locatie-specifieke risico's van bodemverontreiniging met asbest te kunnen bepalen. Bovendien is een onderbouwing gegeven voor de interventiewaarde voor asbest, welke recentelijk werd geformaliseerd door het Ministerie van VROM via het Interimbeleid voor asbest in bodem, grond en puin(granulaat).

  

Risico's voor de mens ten gevolge van inhalatie van asbest vezels zijn het meest kritisch. Daarom is de risico-analyse gebaseerd op de mogelijkheid voor asbestvezels om in de lucht te komen, waarbij een verschil wordt gemaakt tussen chrysotiel en amfibool asbest, hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest en respirabele en niet-respirabele fractie in de bodem. Omdat het gedrag van asbest in de bodem verschilt van die van andere contaminant is geen gebruik gemaakt van het CSOIL blootstellingsmodel. In plaats hiervan is voor de afleiding van de interventiewaarde gebruik gemaakt van meetresultaten uit de praktijk, te weten asbestconcentraties in de bodem en de lucht. In stap 2 en 3 van de methode om het locatie-specifieke risico te bepalen is gebruik gemaakt van meetmethoden.

 

 

Auteurs:
F.A. Swartjes, P.C. Tromp en J.M. Wezenbeek

Rapportnummer:

RIVM rapport 711701034

  

Jaar van uitgave:

2003


Website: Beoordeling van de risico\'s van bodemverontreiniging met asbest (PDF)
 
Beoordelingskader Gezondheid en Milieu
 

Samenvatting:

In mei 2002 hebben de ministeries van VROM en VWS het Actieprogramma Gezondheid en Milieu aan de Tweede Kamer gepresenteerd. Daarin was onder meer een ontwerp van het Beoordelingskader Gezondheid en Milieu opgenomen. Dit is een instrument waarmee factoren in beeld worden gebracht die een rol spelen bij beleids-beslissingen over milieuproblemen met gezondheidsaspecten. Het gaat dan niet alleen om ernst en omvang van gezondheidseffecten, maar ook om risicoperceptie, kosten-baten analyses en handhavingsaspecten.

In dit rapport wordt aan de hand van een deskundigenconsultatie, een literatuur onderzoek en een tweetal workshops aannemelijk gemaakt dat voor de ontwerpversie de juiste uitgangspunten zijn gekozen.
Tevens wordt een vernieuwde versie van het beoordelingskader gepresenteerd, waarin de eerste ervaringen met het gebruik in de praktijk zijn verwerkt.

 

  

Auteurs:

Bruggen, M. en T. Fast

  

Rapportnummer: 

RIVM rapport 609026003

Zie ook RIVM rapport 251701047: 'Nuchter omgaan met risico's'

 

Jaar van uitgave:

2003 


Website: Beoordelingskader Gezondheid en Milieu (PDF)
Email:t.fast@wxs.nl
 
Betrouwbaarheid van verblijftijden naar grondwaterwinningen; toepassing van Landelijk Grondwatermodel (LGM)
 

Samenvatting:
Dit rapport beschrijft de ontwikkeling en een pilot-toepassing van een modelleringsmethode ten behoeve van de bepaling van betrouwbaarheid van verblijftijden van grondwater dat naar grondwateronttrekkingen stroomt. De methode, die van de eindige-elemententechniek gebruik maakt, is opgenomen in het rekenmodule LGMLUC, een aanvullende module van het Landelijk Grondwatermodel LGM, van het RIVM.

 

De betrouwbaarheid wordt voorgesteld als een band (zone) rondom de verwachtingswaarde van een verblijftijd-isochrone, bijvoorbeeld 25 jaar. De breedte van deze band voor een zekere waarschijnlijkheid van voorkomen (bijvoorbeeld tussen de 97,5 en 2,5 percentielwaarden) neemt toe met een toenemende onzekerheid van modelinvoer parameters. Gebruik is gemaakt van de First-Order Second-Moment (FOSM) methode voor de analyse van de voortplanting van fouten. De resultaten van de FOSM methode zijn vergeleken met die van de Monte Carlo aanpak voor een LGM-model en als een onafhankelijke test een TRIWACO-model. Uit deze vergelijking is geconcludeerd dat de FOSM-methode adequaat en rekentechnisch effectief is voor het analyseren van de betrouwbaarheid van verblijftijden. Aangenomen is dat de kansdichtheidsverdeling van verblijftijden lognormaal verdeeld is.

 

De methode houdt rekening met de onzekerheid in een aantal modelinvoer parameters, zijnde de factoren die de onzekerheid in verblijftijden tot gevolg hebben. De onzekerheid van de parameters is bepaald door middel van calibratie (invers model) en expert-judgement. De toepasbaarheid van de ontwikkelde methode is aan de hand van een pilot-studie getoond, gebruikmakend van het binnen het LGM bestaande deelmodel Utrecht. De methode kan bij verschillende dichtheid van eindige-elementengrid worden gebruikt, zowel voor problemen op lokale schaal (hoge griddichtheid) als op regionale schaal. De informatie over de betrouwbaarheid van verblijftijden kan worden benut voor beleidsmatige beslissingen, zoals bij onderzoek naar risico's binnen de bestaande grondwaterbeschermingsgebieden.

 

Auteurs:
K. Kovar, A. Leijnse, G. Uffink, M.J.H. Pastoors, J.H.C. Mulschlegel en W.J. Zaadnoordijk

 

Rapportnummer: 

RIVM Rapport 703717013

 

Jaar van uitgave: 

2005


Website: Betrouwbaarheid van verblijftijden naar grondwaterwinningen; toepassing van Landelijk Grondwatermodel - LGM (PDF)
 
Bepaling ecotooptype en toetsing indeling in ecologische soortengroepen van vegetaties
 

Samenvatting:
In Nederland zijn twee modellen in gebruik om op nationale schaal de effecten van milieuveranderingen op de vegetatie in te schatten: DEMNAT en SMART/MOVE. DEMNAT richt zich vooral op de effecten van grondwaterveranderingen op natte en vochtige systemen, terwijl SMART/MOVE zich vooral richt op de gecombineerde effecten van verdroging, verzuring en vermesting van alle ecosystemen. Er is een overlap tussen beide modellen. Daarom is besloten tot verdere afstemming om mogelijk op termijn tot integratie te komen.

  

Een eerste stap naar afstemming is het gebruik maken van dezelfde basisgegevens. Hiervoor is een grote dataset samengesteld die bestaat uit 170.000 opnamen, waar zowel de responsmodule MOVE van afgeleid werd als de ecotopenindeling van DEMNAT. Dit rapport beschrijft hoe deze gegevens zijn gebruikt om de indeling van soorten in ecologische soortengroepen te verbeteren. De dataset bevat opnamen uit alle delen van het land, maar de dichtheid van opnamen is in sommige delen groter dan in andere delen. De data, waarop een eerste indeling is gebaseerd, zijn vergeleken met literatuurgegevens. Met gevonden inconsistenties tussen indeling en literatuur, die vooral veroorzaakt werden door heterogeniteit van opnamen en het voorkomen van meerdere vegetatielagen in een opname, b.v. oppervlakkig wortelende mossen en diep wortelende struiken, is rekening gehouden bij de analyse. Deze procedure leidde tot een groot aantal aanbevelingen ter verbetering van de indeling in ecologische soortengroepen.

 

Auteurs: 

J. Runhaar, M. van 't Zelfde, C.L.G. Groen en J.R.M. Alkemade (eds.)
 

  

Rapportnummer:

RIVM rapport 408657009

 

Jaar van uitgave:
2003


Website: Bepaling ecotooptype en toetsing indeling in ecologische soortengroepen van vegetaties (PDF)
 
Biociden in oppervlaktewater voor drinkwaterproductie
 

Samenvatting:
Het RIVM heeft twaalf stoffen geselecteerd die model staan voor de mate waarin biociden voorkomen in oppervlaktewater. Aanbevolen wordt deze stoffen te meten op locaties waar oppervlaktewater wordt ingenomen voor de drinkwaterproductie. De twaalf stoffen worden als biocide gebruikt. Dit zijn middelen die door de industrie en huishoudens worden gebruikt om schadelijke organismen te bestrijden. Biociden kunnen oppervlaktewater verontreinigen als restanten ervan in het afvalwater komen en onvoldoende worden verwijderd in de rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Aanleiding voor dit onderzoek is de wens van het ministerie van VROM om meer inzicht te verkrijgen in de mate waarin biociden in het oppervlaktewater voorkomen. Door de geselecteerde 12 stoffen te gaan meten, kan duidelijk worden of ze de norm voor drinkwater overschrijden. Vooralsnog ontbreken deze meetgegevens.

Het RIVM signaleert in het onderzoek eveneens dat er weinig gegevens beschikbaar zijn over de mate waarin biociden gebruikt worden. Deze gegevens zijn nodig om de verwachte concentraties in het oppervlaktewater te berekenen.

Auteur:
J. Bakker

Rapportnummer:
RIVM rapport 601712007

Jaar van uitgave:
2010

 


Website: Biociden in oppervlaktewater voor drinkwaterproductie (PDF)
 
Biodiversity Trends and Threats in Europe: development and test of a species trend indicator
 

Samenvatting:
Dit rapport presenteert een test van een samengestelde soorttrendindicator voor Europa ten behoeve van de evaluatie van de 2010 biodiversiteitsdoelstelling, gebruik makend van bestaande data. De indicator integreert trends van verschillende soortgroepen, en kan worden geaggregeerd over habitats en landen. Op deze wijze kan de indicator zowel boodschappen leveren op hoofdlijnen, als gedetailleerde informatie voor diepgaande analyses, gebruik makend van data uit uiteenlopende bronnen, verzameld met uiteenlopende methodes.

 

Auteurs:
M. de Heer, V. Kapos en B.J.E. ten Brink

 

Rapportnummer: 

RIVM rapport 717101001

 

Jaar van uitgave: 

2005


Website: Biodiversity Trends and Threats in Europe: development and test of a species trend indicator (PDF)
 
Collegiale interne audits 2008-2009
 

Harmonisatie van de provinciale en rijksmeetnetten bodem- en grondwaterkwaliteit is belangrijk. Daarom auditten de meetnetbeheerders periodiek elkaars meetnetten. Het auditrapport 2008-2009 is in november 2009 vastgesteld in het Platform Meetnetbeheerders Bodem- en Grondwaterkwaliteit.

Samenvatting:
Acht provincies en het RIVM waren bij de audits betrokken. Het merendeel van de werkzaamheden wordt op een goede en professionele wijze uitgevoerd. De meetnetbeheerders konden meerdere observaties onmiddellijk in praktijk brengen. Een aantal observaties is van principiëler aard en vergt aanpassing van het Handboek voor de monitoring of zelfs van (internationale) normbladen.

Meer informatie: 
Download het rapport in PDF via deze link.


Website: Erbij/Kwali-Tijd
Email:info@erbij.nl
 
Creamod - Een infrastructuur voor smogmodellen op statistische basis
 

Samenvatting:

Het rapport beschrijft een softwarepakket dat begin jaren negentig is ontwikkeld om statistische luchtkwaliteitsmodellen te vervaardigen ten behoeve van de dagelijkse smogverwachting die het RIVM uitbrengt.

 

Het pakket, Creamod, bestaat uit een aantal modules waarmee zeer snel luchtkwaliteitsmodellen kunnen worden gedefinieerd, vervaardigd en getoetst. De centrale rekenregel waarmee een prognose wordt uitgebracht is steeds dezelfde. De concentratie in de toekomst is de concentratie van het heden, vermenigvuldigd met een correctiefactor. Deze correctiefactor wordt afgeleid uit statistieken van luchtkwaliteitsmetingen uit het verleden, waarbij omstandigheden als stationstype, seizoen en de verwachte weersverandering identiek zijn aan de situatie waarvoor de prognose wordt gemaakt. Een werkend model bestaat uit een definitiebestand waarin de structuur van het model is vastgelegd, statistiekenbestanden waarin de correctiefactoren zijn opgeslagen en de rekenstructuur die Creamod biedt.

 

Auteur:
H. Noordijk

 

Rapportnummer: 

RIVM rapport 725301011

 

Jaar van uitgave:

2003


Website: Creamod - Een infrastructuur voor smogmodellen op statistische basis (PDF)
 
De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2009
 

Samenvatting:
Jaarlijkse rapportage in de reeks 'kwaliteit van het drinkwater in Nederland'. Het rapport is gebaseerd op de resultaten van de meetprogramma's over 2009, die de drinkwaterbedrijven uitvoeren ter controle van de drinkwaterkwaliteit en de gebruikte grondstof.

Auteurs:
J.F.M. Versteegh en H.H.J. Dik

Rapportnummer:
RIVM rapport 703719065/2010

Jaar van uitgave:
2010


Website: De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2009 (PDF)
 
De kwaliteit van ondiep en middeldiep grondwater in Nederland
 

Volledige titel:
De kwaliteit van ondiep en middeldiep grondwater in Nederland. In het jaar 2008 en de verandering daarvan in 1984 - 2008.

Samenvatting:
In 2008 overschrijden ammonium, totaal-fosfor, nitraat, kalium, nikkel, cadmium, zink, chroom, arseen, sulfaat, chloride, de zuurgraad en aluminium de toetsingswaarde in het ondiepe en middeldiepe grondwater van Nederland. Tussen 1984 en 2008 is de grondwaterkwaliteit over het algemeen weinig veranderd. In zandgebieden is de kwaliteit zowel gedaald als gestegen. Aangetoonde dalingen kunnen het gevolg zijn van minder mestgebruik, minder atmosferische neerslag van metalen en een lagere aanvoer van dierlijke mest. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van het ministerie van VROM.

In de zandgebieden zijn veel van de toetsingswaarden overschreden. Vooral in het ondiepe grondwater van het zuidwestelijke zandgebied en de Peelhorst en oude rivierterrassen langs de Maas komen veel verhoogde concentraties voor. Waarschijnlijk veroorzaakt de afbraak van organisch materiaal de hoge concentratie totaal-fosfor en ammonium in het rivierengebied. Daarnaast is arseen in dit gebied van nature in hoge mate aanwezig. Als gevolg van invloeden van zee zijn de concentraties van chloride en kalium in de zeeklei- en laagveengebieden hoog. Overeenkomsten tussen het ondiepe en middeldiepe grondwater in polders en droogmakerijen en het zeekleigebied suggereren dat door de afbraak van organische stof ammonium vrijkomt. Brak water in de ondergrond van duinen en strandwallen beïnvloedt de hoge concentraties chloride, sulfaat en kalium in het middeldiepe grondwater aldaar. De afbraak van organisch materaal is de meest voor de handliggende verklaring voor de hoge concentraties ammonium en totaal-fosfor in zowel ondiep als middeldiep grondwater.

Auteurs:
M.E. van Vliet, A. Vrijhoef, L.J.M. Boumans en E.J.W. Wattel-Koekkoek

Jaar van uitgave:
2010


Website: De kwaliteit van ondiep en middeldiep grondwater in Nederland (PDF)
 
Developments in monitoring the effectiveness of the EU Nitrates Directive Action Programmes
 

Nederlandse titel: Ontwikkelingen in het monitoren van de effectiviteit van de Nitraatlijn Actieprogramma's.

Samenvatting:
Lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de waterkwaliteit en de effecten van hun mestbeleid daarop te monitoren en hierover te rapporteren aan de Europese Commissie. Uit een internationale workshop blijkt dat landen hun monitoringsverplichting verschillend invullen doordat voorschriften ontbreken. Een andere bevinding is dat de meeste landen de afgelopen zes jaren hebben geïnvesteerd in een uitbreiding van de monitoring van de waterkwaliteit.

Het RIVM heeft de workshop in 2009 met het Deense Milieuonderzoeksinstituut (DMU), de Geologische Dienst voor Denemarken en Groenland (GEUS) en het LEI, onderdeel van Wageningen UR, georganiseerd. Aan deze tweede MonNO3-workshop namen twaalf landen uit Noordwest- en Midden-Europa deel. De workshop richtte zich vooral op de ontwikkelingen sinds 2003, het jaar dat de eerste MonNO3 workshop heeft plaatsgevonden.

Auteurs:
B. Fraters, K. Kovar, R. Grant, L. Thorling, J.W. Reijs

Rapportnummer:
680717019/2011

Jaar van uitgave:
2011


Website: Developments in monitoring the effectiveness of the EU Nitrates Directive Action Programmes (PDF)
Email:dico.fraters@rivm.nl
 
Documentatie testrapport modelketen Natuurplanner
 

Samenvatting:
De Natuurplanner versie 2.4 bestaat uit 5 modulen. Elke module bevat een model en een schil eromheen, waarmee het model aanstuurbaar is binnen de NATUURPLANNER. Met versie 2.4 zijn de berekeningen uigevoerd voor de terrestrische natuurkwaliteit in de tweede Natuurverkenning (RIVM, 2002).

  

In dit rapport worden de technische testen beschreven die zijn uitgevoerd, voordat de Natuurplanner is ingezet in de Natuurverkenning. De testen richten zich op het technisch functioneren van de modellen binnen de Natuurplanner. Inhoudelijk is er voor de verschillende modellen documentatie beschikbaar. De testprocedure voor de modulen is een stapsgewijze aanpak. De eerste stap is een eenvoudige test, indien een module niet door de test komt werd de module teruggelegd bij de ontwikkelaars. Na herstel werd de module opnieuw getest met de eenvoudige test en een uitgebreide test. Tot de module foutloos door de testen heen komt. Deze testprocedure heeft ertoe geleid dat de Natuurverkenning uitgevoerd is met modules die voldoen aan technisch functionele eisen. Dit testrapport en de toepassing in de Natuurverkenning 2 tonen aan dat een test vooraf resulteert in een vrijwel foutloze en efficiënte berekening, zonder dat in de loop van een project extra tijd en inzet nodig zijn.

 

Auteurs: 

M. Bakkenes, D.C.J. van der Hoek en J.R.M. Alkemade

  

Rapportnummer:

RIVM rapport 500002001

 

Jaar van uitgave:
2003


Website: Documentatie testrapport modelketen Natuurplanner (PDF)
 
Ecologische effecten van bestrijdingsmiddelen: berekende en waargenomen effecten in de kavelsloot
 

Samenvatting:
Dit rapport behandelt een nieuwe methode voor het berekenen van het ecologische risico in kavelsloten dat wordt veroorzaakt door het gebruik van een groot aantal bestrijdingsmiddelen (261) in Nederland voor het jaar 1998.

De gehele berekening is terug te voeren op een GIS-kaart van het agrarisch landgebruik, waarbij 51 verschillende teelten worden onderscheiden. Hierdoor is het mogelijk om de resultaten in kaartbeelden weer te geven. Door de toepassing van soortengevoeligheidsverdelingen (SSD) en rekenregels voor combinatietoxiciteit, wordt de berekende blootstelling omgerekend naar een risicoschatting voor de aquatische levensgemeenschap die aanwezig hoort te zijn in kavelsloten. Dit risico wordt weergegeven als de fractie van de soorten die wordt geacht enig effect van de blootstelling te ondervinden.

In de samenvatting van de risicokaarten wordt aangetoond dat het merendeel van het voorspelde risico wordt veroorzaakt door het gangbare bestrijdingsmiddelengebruik in de aardappelteelt. Slechts 7 van de 261 bestrijdingsmiddelen zijn verantwoordelijk te stellen voor 95% van het voorspelde risico. Voor alle bestrijdingsmiddelen tezamen is 50% het maximum risico dat is berekend voor enige plek in Nederland. Met behulp van simpele statistische regressie technieken is het berekende risico vergeleken met de door waterkwaliteitsbeheerders gemeten soortensamenstelling in het veld. Deze analyse levert een zwakke indicatie dat de voorspelde aantasting van het ecosysteem ook werkelijk waarneembaar is in het veld. Het geringe aantal beschikbare biologische waarnemingen in kavelsloten tezamen met een grote variabiliteit in de meetgegevens is er echter voor verantwoordelijk dat er geen significante relatie tussen modelvoorspelling en waarnemingen is aan te tonen.

Auteur:
D. de Zwart

Rapportnummer:
RIVM rapport 500002003

Jaar van uitgave:
2003


Website: Ecologische effecten van bestrijdingsmiddelen: berekende en waargenomen effecten in de kavelsloot (PDF)
 
Ecologische kwaliteit van de bodem
 

Samenvatting:
In dit rapport wordt beschreven wat ecologische kwaliteit van bodem is, en op welke wijze deze gekwantificeerd kan worden. In bodem vinden een groot aantal processen plaats, die van belang zijn voor de mens (nutsfuncties), omdat ze bijdragen aan bijvoorbeeld de voedselvoorziening, het type en de kwaliteit van de natuur en de levering van schoon grondwater (voor de productie van drinkwater). Bodemorganismen spelen een belangrijke rol in die processen. Bij een duurzaam gebruik van de bodem is het van belang, om de bodemorganismen zodanig te gebruiken en te beheren, dat deze processen ook voor de toekomst gewaarborgd zijn. Hierbij moet ook de mogelijkheid beschikbaar blijven om het bodemgebruik te veranderen. Ter onderbouwing van het duurzaamheidsbeleid van de bodem wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een bodembiologische indicator (BoBI) voor gebruik op nationale schaal. Daarvoor worden ecologische gegevens over de soortdiversiteit, het aantal organismen per soort en de activiteit van de organismen verzameld. Ten behoeve van het beleid moet een karakteriseringsysteem van de bodem worden ontwikkeld in de termen van 'goed' en 'slecht'.

  

In dit rapport worden twee benaderingen beschreven om tot dergelijke kwaliteitscriteria te komen op basis van de tot dusver verzamelde data. 1) De mechanistische of functionele methode. Hierbij wordt nagegaan welke combinatie van nutsfuncties op een bepaalde plek gewenst is en vervolgens wordt de samenstelling van het daarbij behorende 'goede' bodemecosysteem beschreven met behulp van statistische interpretatie van de verzamelde bodemecologische data. 2) De statistische methode. Bij deze methode wordt voor een bepaalde combinatie van grondsoort en bodemgebruik bodemecologische data van een groep van geografische referenties verzameld en op basis daarvan wordt dan aangegeven wat de optimale samenstelling van het bodemecosysteem type is. Bij de toepassing van de indicator zou dan, in beide benaderingen, moeten worden aangegeven, in hoeverre de huidige kwaliteit voldoet aan de criteria van de gewenste kwaliteit.

Vanwege de complexiteit van de materie wordt voorgesteld beide benaderingen onafhankelijk van elkaar te ontwikkelen volgens het principe van multiple lines of evidence. Idealiter zullen beide benaderingen uiteindelijk tot een overeenkomend resultaat leiden. Tenslotte wordt een verdere ontwikkeling van de indicator voor toepassing op internationale en lokale schaal besproken.

 

Auteurs:

A.M. Breure, M. Rutgers, J. Bloem, L. Brussaard, E. Didden, G. Jagers op Akkerhuis, Ch. Mulder, A.J. Schouten en H.J. van Wijnen

  

Rapportnummer: 

RIVM rapport 607604005

 

Jaar van uitgave:

2003


Website: Ecologische kwaliteit van de bodem (PDF)
 
Ecotoxiciteit van toxische mengsels in de bodem
 

Volledige titel:
Ecotoxiciteit van toxische mengsels in de bodem. Aanbevelingen voor toepassing in de Nederlandse regelgevingscontext, afgeleid uit een wetenschappelijk overzicht van concepten, modellen en gegevens.


Samenvatting:
In dit rapport wordt een methode voorgesteld om de ecotoxicologische risico's van mengsels in de bodem te beoordelen voor diverse risicobeoordelingssituaties. De methode is afgeleid uit een evaluatie van recente wetenschappelijke ontwikkelingen en validatiestudies. Een expliciet onderscheid wordt gemaakt tussen de mogelijkheden om experimentele resultaten van mengseleffecten in detail te interpreteren en de extrapolatie van deze resultaten naar het veld van risicobeoordeling.

 

De methode bestaat uit drie stappen, waarbij milieu-chemische, toxicologische en ecologische interacties apart behandeld worden. In de eerste stap wordt blootstelling behandeld. In de tweede stap wordt de "mixed-model approach" toegepast. Hierbij wordt de toxische druk van groepen van stoffen met hetzelfde werkingsmechanisme voorspeld door concentratie additie aan te nemen voor de biologische actieve fracties binnen deze groepen, terwijl de algehele risico's over deze groepen en de overgebleven groepen (met een uniek werkingsmechanisme in het mengsel) voorspeld wordt door response additie aan te nemen voor de biologische actieve fracties. De derde stap is het inschatten van de ecologische interacties. Voor deze laatste stap is de theoretische onderbouwing echter zwak en zijn er nauwelijks -tot geen- gegevens voorhanden. Mogelijkheden voor het toepassen van de voorgestelde methode in de risicobeoordelingspraktijk worden bediscussieerd door de voor- en nadelen op te sommen voor de diverse risicobeoordelingssituaties.


Auteurs:

M. Mesman en L. Posthuma

 

 

Rapportnummer:

RIVM rapport 711701035

 

 

Jaar van uitgave:

2003


Website: Ecotoxiciteit van toxische mengsels in de bodem (PDF)
 
Een onafhankelijke tool voor stedelijke luchtkwaliteitsberekeningen: Vergelijking met CAR-II, Monitoringstool en metingen
 

Samenvatting:
Het RIVM heeft een eigen tool ontwikkeld om stedelijke luchtkwaliteitberekeningen uit te voeren. De rekenregels in deze tool zijn exact ontleend aan de wettelijke voorschriften voor standaardrekenmethode-1 in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Bestaande berekeningen van de NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) monitoringstool en web-based CAR (Calculation of Air pollution from Road traffic), twee tools die de uitstoot van verkeer in steden monitoren, zijn met de nieuwe tool gecontroleerd en in orde bevonden. De met de tool berekende concentraties stikstofdioxide en fijn stof PM10 zijn ook vergeleken met de metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit voor 2008 en 2009. De resultaten blijven binnen de marge tussen berekeningen en metingen die volgens de Europese richtlijn 2008/50/EG is toegestaan (respectievelijk 30 en 50 procent). Hiermee voldoet de nauwkeurigheid van de berekeningen aan de kwaliteitsdoelstellingen van deze Europese richtlijn.

Auteurs:
P.L. Nguyen en J.P. Wesseling

Jaar van uitgave:
2011

Rapportnummer:
680705018


Website: Een onafhankelijke tool voor stedelijke luchtkwaliteitsberekeningen : Vergelijking met CAR-II, Monitoringstool en metingen (PDF)
 
Eindrapport fase 2 Project Kwali-tijd 2005
 

Samenvatting:
Met het rapport van het project Kwali-tijd fase 2 hebben de landelijke en provinciale meetnetbeheerders het uitwerkingskader van de harmonisatie van de bodem- en grondwatermeetnetten geformuleerd.

Het project Kwali-tijd behelst een samenwerking van provincies (IPO) en RIVM, verenigd binnen het platform meetnetbeheerders. Het project is een onderdeel van de Strategische Milieuagenda 2005-2008 en het hiermee samenhangende Programma IPO Strategische Milieu Agenda (PRISMA). De ambtelijke opdrachtgever is het IPO-BOOG, die gehoord het advies van de vakgroep bodembescherming, de resultaten van het project voorlegt aan de Stuurgroep Bodem [STUBO], waarin vertegenwoordigd zijn de ministeries van LNV en VROM, EZ, het IPO, de VNG, de Unie van Waterschappen en Bodem+.

Auteur:
F. F. Otto

Jaar van uitgave:
2005


Website: Eindrapport fase 2 Project Kwali-Tijd 2005 (PDF)
 
Emissies en verspreiding van zware metalen
 

Samenvatting:
De emissies aan cadmium, chroom, kwik, lood en zink van de Nederlandse industrie naar lucht en oppervlaktewater zijn in de afgelopen 20 jaar flink verminderd.

Begin jaren negentig heeft de overheid afspraken gemaakt met de industrie om de emissies van diverse stoffen te reduceren. Hoewel niet voor alle metalen de toen vastgestelde percentages van 70 tot 90% emissiereductie zijn gehaald, zijn de emissies wel aanzienlijk verminderd.

Hierdoor zijn de ook de concentraties cadmium, chroom, kwik, lood en zink in lucht en regenwater in Nederland fors gedaald. De concentraties van deze metalen in de lucht liggen nu onder de milieukwaliteitsnormen. De huidige emissies en concentraties in de lucht hebben geen gevolgen voor de gezondheid van mensen.

Ook de gehalten aan cadmium, chroom, kwik, lood en zink in de Nederlandse oppervlaktewateren zijn flink gedaald, maar behalve voor kwik worden de streefwaarde en milieukwaliteitsnormen op verschillende plaatsen nog overschreden. Dat wordt overigens vooral veroorzaakt door andere bronnen dan de industrie.

Vanwege de Europese Kaderrichtlijn Water moeten de emissies aan zware metalen in de komende jaren verder worden teruggedrongen. Ook zijn er internationale afspraken gemaakt om de emissies van cadmium, lood en kwik naar de lucht te verminderen. Door de bouw van drie nieuwe kolengestookte energiecentrales en de mogelijke bouw van een kolenvergassingsinstallatie, zal de emissie van kwik waarschijnlijk echter toenemen.

Auteurs:
M.G. Mennen, W.A.J. van Pul, P.L. Nguyen, E.A. Hogendoorn, E.M. van Putten, M.E. Boshuis-Hilverdink en G.M. de Groot

Rapportnummer:
RIVM rapport 609100004

Jaar van uitgave:
2010


Website: Emissies en verspreiding van zware metalen (PDF)
 
Emissies naar grondwater: een overzicht van beleidsuitgangspunten en procedures voor beoordeling
 

Samenvatting:

Er bestaan grote verschillen in de manieren waarop Nederlandse beleidskaders de kwaliteit van grondwater toetsen. Desondanks voldoen ze aan de Europese Dochterrichtlijn Grondwater. Dat komt omdat deze richtlijn alleen randvoorwaarden aangeeft en het gebruik van verschillende beoordelingsmethodieken toestaat.

 

Verontreinigingsbronnen op of in de bodem, zoals afvalstoffen, bestrijdingsmiddelen of mest, kunnen de kwaliteit van het grondwater bedreigen. Voor elk bijbehorend beleidskader bestaan wetten om de verontreinigingsbronnen te reguleren. Doel van het onderzoek was om de verschillen tussen de beoordelingsmethoden voor grondwater op te helderen en vast te stellen of de methoden voldoen aan de eisen die de Europese Dochterrichtlijn Grondwater stelt. Met deze informatie kan de huidige discussie tussen beleidsmakers en wetenschappers, over nut en noodzaak van het harmoniseren van de beoordelingsmethodieken beter gevoerd worden.

 

De volgende beleidskaders zijn in de rapportage besproken: afvalstoffen, baggerdepots, bestrijdingmiddelen, bodemkwaliteit/ bodemsanering, bouwstoffen, grond en bagger, grootschalige bodemtoepassingen, mestbeleid en stortplaatsen. Voor deze beleidstoepassingen worden doel, de uitgangspunten, het toetscriterium en de gehanteerde rekenmethoden beschreven.

 

Auteurs: 

A.J. Verschoor en F.A. Swartjes

 

Rapportnummer: 

RIVM rapport 711701070

 

Jaar van uitgave:

2008


Website: Emissies naar grondwater: overzicht van beleidsuitgangspunten en procedures voor beoordeling (PDF)
 
Evaluatie van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit
 

Samenvatting:
Op verzoek van het ministerie van VROM heeft het RIVM de opzet, uitvoering, nut en noodzaak van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit geevalueerd. Hieruit blijkt dat het meetnet inzicht oplevert in de kwaliteit van de bodem en het bovenste grondwater bij verschillende grondsoorten en typen landgebruik. Het fungeert, in lijn met de Beleidsbrief Bodem, als graadmeter voor de algemene toestand van de bodem. Het vormt daardoor een belangrijk instrument voor beleidsmakers.

Auteurs:
J. Spijker, A.J. Schouten, K.W. van der Hoek en E.J.W. Wattel-Koekkoek

Rapportnummer:
RIVM rapport 680718002

Jaar van uitgave:
2009


Website: Evaluatie van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (PDF)
 
Evaluatie van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid
 

Samenvatting:
Het RIVM en het LEI hebben de manier waarop het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid ( LMM) is opgezet, geëvalueerd. Op basis hiervan zijn vervolgens drie scenario's opgesteld om het LMM vanaf 2011 vorm te geven. Alle drie de scenario's bieden mogelijkheden om te bezuinigen. De mate waarin dat gebeurt, en de mate waarin wordt voldaan aan de eisen die de ministeries van EL&I en I&M stellen aan het LMM, verschillen per scenario.

Rapporten:

Eindrapport van de evaluatie van het LMM. Scenario's voor het programma vanaf 2011 (webpage)
Auteurs: A de Klijne, J.W. Reijs, B. Fraters, J. Hoop, T.C. van Leeuwen
Rapportnummer: 680717012
Jaar van uitgave: 2010

Evaluatie van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid. Bijlagenrapport (webpage)
Auteur: M.E. van Vliet
Rapportnummer: 680717013
Jaar van uitgave: 2010


 
Evaluation of the representativeness of the Dutch national Air Quality Monitoring Network
 

Nederlandse titel:
Evaluatie van de representativiteit van het Nederlandse Meetnet Luchtkwaliteit

Summary:
As a general rule, the Dutch Air Quality Monitoring Network (LML) is representative for the Netherlands. They fulfill the criteria of EU Directive 2008/50/EC for representativeness of measurement sites. However, the Dutch classification of measurement sites, which is a simple classification with only three types of stations, rural, urban background and street, does not always positively correlate to the measurement data. Any interpretation of the measurements of the LML must take this aspect into consideration.

A number of rural stations were found to have peak concentrations for one component, for example ammoniac in Vredepeel as a result of agricultural activities in this area, and a number of street stations are actually located on a highway (for example at Breukelen). In addition, rural station in an urbanized area had distinctly higher concentrations than other rural stations, while one station in a suburb of Groningen had lower concentrations than urban stations located in the western industrialized area of the Netherlands. At one measurement station, the flow around the inlet was obstructed by a close building, while at other locations, the flow around the inlet was affected by trees (which have been since pruned).

These are the conclusions of the evaluation of the representativeness of the LML which has been performed by the RIVM by request of the Ministry of Housing, Spatial Planning and the Environment (VROM). For this study, measurements data of the RIVM from 2007 of nitrogen oxide, nitrogen dioxide, carbon monoxide, particulate matter, ozone, ammoniac and sulfur dioxide were used. The results of this screening were then compared with the screening that used data from 1994; this comparison served as a check of the consistency of the observed results which seems to be good. The effect of pruning overgrown trees at two locations was studied in more detail and in both cases, no effect on the concentration was found. To prevent any obstruction of the air inlet it is recommended to prune trees which grow in close proximity to monitoring stations.

Auteurs:
P.L. Nguyen, R. Hoogerbrugge, F. van Arkel

Rapportnummer:
RIVM rapport 680704010

Jaar van uitgave:
2009


Website: Evaluation of the representativeness of the Dutch national Air Quality Monitoring Network (PDF)
 
FAIR 2.0: een beleidsondersteunend model voor de evaluatie van de milieu en economische consequenties van toekomstig klimaatbeleid
 

Samenvatting:
Dit rapport beschrijft het beleidsondersteunende model FAIR 2.0 (Framework to Assess International Regimes for differentiation of commitments). FAIR is een interactief computer model voor het (kwantitatief) evalueren van de milieueffectiviteit en economische kosten van verschillende regimes voor internationale lastenverdeling voor het klimaatbeleid, in overeenstemming met doelstellingen voor bescherming van het klimaat, geformuleerd in Artikel 2 van het internationale Klimaatverdrag UNFCCC, de stabilisatie van de concentraties van broeikasgassen op een 'veilig' niveau.

  

Het FAIR 2.0 model bevat drie deelmodellen: 1. Een klimaat model voor de evaluatie van de klimaateffecten van een mondiale emissieplafond en de berekening van de regionale bijdrage aan klimaatsveranderingen. 2. Een emissieallocatie model voor het verkennen en evalueren van de herverdeling van toegestane emissieruimte tussen de landen voor verschillende benaderingen voor internationale lastenverdeling-regimes. 3. Een kosten en emissie-handel model voor de berekening van de verdeling van de emissiereducties over de verschillende regio's, gassen en bronnen na de toepassingen van de Kyoto Mechanismen (bijvoorbeeld emissiehandel). Hierbij wordt gebruik gemaakt van een kosteneffectieve methode op basis van geaggregeerde vraag en aanbod curven, welke zijn afgeleid van deze marginale kosten curven. Dit model berekent ook de wereldwijde prijs op de internationale emissiemarkt, de kopers en verkopers op de markt, de marginale en totale kosten en de voordelen van emissiehandel.

 

Auteurs:

M.G.J. den Elzen en P. Lucas

  

Rapportnummer: 

RIVM rapport 550015001

 

Jaar van uitgave:

2003


Website: FAIR 2.0 - een beleidsondersteunend model voor de evaluatie van de milieu en economisch consequenties van toekomstig klimaatbeleid (PDF)
 
Geluidmonitor
 

Het geluidmonitoringprogramma bestaat sinds 1999 en registreert ontwikkelingen in omgevingsgeluid door wegverkeer, railverkeer en luchtvaart. Jaarlijks wordt een rapport gepubliceerd.

Organisatie: RIVM

Download de rapporten in PDF:


 
Geluidonderzoek op vier trajectcontrole locaties
 

Samenvatting:
De effecten van de snelheidsmaatregel van november 2005 op rijkswegen rond de vier grote steden op de gemiddelde geluidniveaus zijn beperkt tot minder dan 1,5 dBA. Langs de A12 bij Voorburg en de A20 bij Rotterdam werd een afname gemeten van 1 tot 1,3 dBA. Langs het traject bij de A10 West in Amsterdam werd een afname gemeten van 0,5 dBA. Langs de A12 bij Utrecht werd geen afname van het gemiddelde niveau gemeten. Op de locaties bij Rotterdam en Voorburg was de relatieve snelheidsverlaging op de rijstroken met de sterkste geluidemissie groter dan in Amsterdam en Utrecht. Dit verklaart de sterkere afname van geluidniveaus op eerstgenoemde locaties. In Utrecht is de geluidemissie van met name de hoofdrijbanen nauwelijks afgenomen. Dit zou naar verwachting wel het geval zijn indien ook op de hoofdrijbanen de snelheid op 80 kilometer per uur zou worden gehandhaafd. In vergelijking met de gemiddelde geluidniveaus is er bij de maximale geluidniveaus die binnen elk uur zijn gemeten (pieken) een grotere afname gemeten. Bij Rotterdam en Voorburg zijn de maximale geluidniveaus met respectievelijk 2 en 2,5 dBA afgenomen. In Amsterdam en Utrecht was de afname respectievelijk 1 en 1,3 dBA. Direct omwonenden, binnen enkele honderden meters van de trajecten, kunnen de geluidsituatie na de maatregel daardoor als een verbetering ervaren. De sterkere afname van de piekniveaus houdt nauw verband met een gelijkmatiger verkeersstroom die door de trajectcontrole wordt afgedwongen. Het is daarom mogelijk dat een dergelijk effect ook al bij hogere trajectsnelheden zou optreden, mits het gelijkmatige uniforme gedrag van het verkeer behouden blijft.

Auteurs:

J. Jabben, C. Potma en S. Lutter

 

Rapportnummer: 

RIVM rapport 680350001

 

Jaar van uitgave:

2007


Website: Geluidonderzoek op vier trajectcontrole locaties (PDF)
 
Gemeten en berekende NO2-concentraties in Amsterdam in 2008
 

Samenvatting:
Berekeningen met de Nederlandse standaardrekenmethode voor luchtkwaliteit in binnenstedelijke straten geven in 38 Amsterdamse straten gemiddeld lagere concentraties stikstofdioxide (NO2) aan dan metingen op deze locaties. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en de GGD Amsterdam, waarin deze standaardrekenmethode is vergeleken met metingen van de GGD Amsterdam. Het verschil bedraagt gemiddeld 11 %. Op meetlocaties van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, verspreid over Nederland, laat de rekenmethode geen significante onderschatting zien. Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van VROM uitgevoerd.

In de onderzochte straten worden de concentraties voor een belangrijk deel bepaald door de emissies van het wegverkeer in de straat. De metingen zijn gedurende dertien meetperioden van elk vier weken, uitgevoerd met zogenoemde Palmes diffusiebuisjes. Deze metingen zijn geijkt aan de Europese referentiemethode op de vaste meetstations van het Luchtmeetnet Amsterdam.

De berekeningen zijn uitgevoerd met de wegkenmerken en verkeersgegevens op de plaats van de meetpunten. Een deel van de gevonden verschillen in Amsterdam kan verklaard worden,doordat locaties buiten het toepassingsgebied van de standaardrekenmethode vallen. Behalve het lokale wegverkeer dragen andere bronnen, zoals scheepvaart, bij aan de concentraties in drukke straten in Amsterdam. De andere bronnen vormen samen de achtergrondconcentratie. Het is denkbaar dat sommige bronnen, die niet in detail in de berekening van de achtergrondconcentratie zijn opgenomen, de concentraties op specifieke locaties sterker beïnvloeden dan nu wordt aangenomen. In 2010 zal dit verder onderzocht worden.

Auteurs:
J. Wesseling, S. van der Zee en L. Nguyen

Jaar van uitgave:
2010


Website: Gemeten en berekende NO2-concentraties in Amsterdam in 2008 (PDF)
 
Geochemische atlas van Nederland
 

Voedselveiligheid, uitspoeling van contaminanten, normstelling voor bodemkwaliteit. Het is slechts een kleine greep uit de vraagstukken waarbij de Geochemische atlas van Nederland een essentiële rol kan spelen. De atlas bevat gegevens over 36 chemische elementen, zowel boven- als ondergronds, die worden gepresenteerd in kaarten, tabellen en frequentieverdelingen.

De atlas is tot stand gekomen door een samenwerking tussen Deltares, RIVM en Alterra en is deels gefinancierd door het ministerie van EL&I via het programma BIS 2014. Met deze actualisering van het Bodemkundig Informatie Systeem kunnen overheid en bedrijven hun bodembeleid verbeteren.


Website: Geochemische Atlas van Nederland (PDF)
Email:gerben.mol@wur.nl
 
GeoPEARL model: Deel II - Handleiding en update van de modelbeschrijving
 

Samenvatting:Nederland heeft sinds kort een nieuwe beslisboom om het risico van uitspoeling van bestrijdingsmiddelen naar het grondwater te kunnen beoordelen. In deze beslisboom wordt beoordeeld of de concentratie van bestrijdingsmiddelen in het grondwater de EU drinkwaternorm van 0,1 mu/L zal overschrijden. De nieuwe beslisboom houdt expliciet rekening met het oppervlak waarop het middel wordt toegepast. Een middel kan uitsluitend worden toegelaten indien de concentratie in het grondwater over een lange periode lager is dan 0,1 mu/L, onder tenminste 90% van het oppervlak waarop het middel zal worden verbruikt. Om dit criterium te kunnen toetsen is het model GeoPEARL ontwikkeld. Dit model zal een centrale rol gaan spelen in het nieuwe toelatingsbeleid. Dit rapport bevat een handleiding van het model, met nadruk op de nieuwe registratieprocedure.

 

Auteurs:
A. Tiktak, A.M.A. van der Linden, J.J.T.I. Boesten, R. Kruijne en D. van Kraalingen

  

Rapportnummer: 

RIVM rapport 716601008. Het rapport dient te worden gebruikt in combinatie met rapport 601450019 (klik hier voor de PDF). Dit rapport de nieuwe beslisboom beschrijft.

 

 

 

Jaar van uitgave:

2004


Website: GeoPEARL model: Deel II - Handleiding en update van de modelbeschrijving PDF
 
GeoPEARL model: beschrijving, toepassingen en handleiding
 

Samenvatting:

In dit rapport wordt het GeoPEARL model gepresenteerd. GeoPEARL is een ruimtelijk verdeeld model, dat het gedrag van bestrijdingsmiddelen in het bodem - plant systeem beschrijft. Het model berekent de drainage naar het lokale oppervlaktewater en de uitspoeling naar het diepe grondwater. Met GeoPEARL kunnen stoffen met sterk uiteenlopende eigenschappen worden gesimuleerd, waaronder vluchtige stoffen en stoffen die bodemafhankelijke sorptie- en omzettingsconstanten hebben.

 

Het model zal worden ingezet voor de evaluatie van nationale beleidsplannen, zoals het 'Meerjarenplan Gewasbescherming' en het plan 'Duurzame Gewasbescherming'. Het rapport bevat een aantal voorbeeldberekeningen voor stoffen met verschillende eigenschappen. De resultaten laten zien dat de gemiddelde belasting van het oppervlaktewater een orde groter is dan de gemiddelde belasting van het grondwater. Snelle afvoermechanismen, zoals buisdrainage, zijn hierbij dominant. Bestrijdingsmiddelen die op een dergelijke wijze worden afgevoerd kunnen direct het oppervlaktewater belasten. GeoPEARL is ook gebruikt om de huidige toelatingsprocedure voor bestrijdingsmiddelen te verifiëren. In de huidige procedure wordt begonnen met de toepassing van PEARL op een enkele locatie. Deze locatie wordt verondersteld representatief te zijn voor kwetsbare gebieden. Resultaten van GeoPEARL laten echter zien dat, afhankelijk van het beschouwde middel, de maximum uitspoeling in verschillende gebieden plaats vindt. Dit duidt erop dat bij toepassing van het model op een locatie niet noodzakelijkerwijs de meest kwetsbare situatie gesimuleerd wordt. Om dit te bereiken moeten aanvullende voorwaarden gesteld worden. Om discussies over deze voorwaarden te voorkomen is directe toepassing van GeoPEARL te prefereren. 


Auteurs:

A. Tiktak, A.M.A. van der Linden en J.J.T.I. Boesten

 

Rapportnummer: 

RIVM rapport 716601007

 

Jaar van uitgave:

2003


Website: GeoPEARL model - Model beschrijving, toepassingen en handleiding (PDF)
 
Groepsgeluidbelasting Gden/Gnight. Toepassingsmogelijkheden luchtvaartgeluid
 

Samenvatting:
Dit rapport gaat in op toepassingsmogelijkheden van integrale geluidindicatoren Gden en Gnight bij monitoring en handhaving van de geluidbelasting rondom luchthavens. Gden en Gnight zijn eengetalsgeluidmaten die de gezamenlijke geluidbelasting van een populatie uitdrukken voor respectievelijk het gehele etmaal en specifiek de nachtperiode. Er wordt ingegaan op de relatie met geluidsschade, hinderbeleving en slaapverstoring binnen de populatie. Tevens is gekeken naar de te verwachten jaarlijkse variaties afhankelijk van wisselende verkeerssituaties. Gebleken is dat Gden en Gnight goede correlatie vertonen met geluidsschade, hinderbeleving en slaapverstoring. Een nauwkeurige prognose op basis van Gden/Gnight van deze laatste aspecten die geheel overeenstemt met daarvoor bekende dosis-responsrelaties is echter niet mogelijk. Jaarlijkse variaties in de groepsgeluidbelasting Gden en Gnight onder gelijkblijvende verkeersaantallen zijn relatief beperkt. Daarmee lijken deze indicatoren minder gevoelig voor wisselende meteorologische omstandigheden en bieden mogelijk ook aanknopingspunten in het kader van een transparant handhavingsbeleid rondom luchthavens.

Auteurs:
J. Jabben, E. Verheijen en E. Schreurs

Rapportnummer:
RIVM briefrapport 680555004

Jaar van uitgave:
2010


Website: Groepsgeluidbelasting Gden/Gnight. Toepassingsmogelijkheden luchtvaartgeluid (PDF)
 
Handreiking geluidhinder wegverkeer: berekenen en meten
 

Samenvatting:
Er bestaan verschillende methoden om te bepalen hoeveel mensen op een locatie geluidshinder als gevolg van wegverkeer ervaren. Met vragenlijsten kan het percentage gehinderden worden gemeten. Daarnaast kan het percentage gehinderden worden berekend met de geluidbelasting en een internationaal erkende 'blootstelling-responsrelatie' uit 2001.

Het RIVM heeft een handreiking opgesteld die aandachtspunten beschrijft bij onderzoek naar geluidshinder, de interpretatie van hindercijfers en de invloed van leeftijd en andere persoonlijke en contextuele factoren. Cijfers vaak niet goed vergelijkbaar. De handreiking vloeit voort uit een vraag van de GGD-en naar de oorzaak van het verschil tussen berekende en gemeten geluidshinder. Zoekende naar een verklaring bleek dat cijfers uit verschillende onderzoeken vaak niet goed vergelijkbaar zijn, doordat zij gebruikmaken van uiteenlopende vraagstellingen en analysemethoden. Ook zitten zowel rondom gemeten als berekende cijfers onzekerheidsmarges, waardoor het niet zinvol is alleen de gemiddelde uitkomsten te vergelijken. Verder bleek dat een blootstelling-responsrelatie uit 2009 hinderpercentages berekent die in het algemeen meer in de buurt liggen van de gemeten cijfers.

Hinderpercentage bepalen met de meest geschikte methode. Los van het feit dat de blootstelling-respons relatie dus mogelijk verbeterd zou kunnen worden, is in een bestaande situatie een vragenlijst de meest geschikte methode om het percentage gehinderden te bepalen. Als metingen met dezelfde vragenlijst meerdere keren worden herhaald, zijn veranderingen in de tijd bovendien goed te volgen. Voor nog niet bestaande situaties of scenarioberekeningen zijn berekeningen met blootstelling-responsrelaties een goede methode om zicht te krijgen op te verwachten percentages gehinderden.

Auteurs:
Dusseldorp, A., D. Houthuijs, A. van Overveld, I. van Kamp en M. Marra

Rapportnummer:
609300020

Jaar van uitgave:
2011


Website: Handreiking geluidhinder wegverkeer: berekenen en meten (PDF)
 
Grootschalige stikstofdepositie in Nederland
 

Volledige titel:
Grootschalige stikstofdepositie in Nederland. Herkomst en ontwikkeling in de tijd.

Samenvatting:
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in samenwerking met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) kaarten gemaakt van de stikstofdepositie in Nederland (GDN-kaarten genoemd). Deze kaarten geven een beeld van de grootschalige stikstofdepositie in Nederland, zowel voor het verleden als de toekomst (tot en met 2030). Het ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I) gebruikt deze kaarten onder andere voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De kaarten zijn gelijktijdig, met hetzelfde rekeninstrumentarium en op basis van dezelfde emissiescenario’s, gemaakt als de grootschalige concentratiekaarten Nederland (GCN-kaarten).

Dit rapport beschrijft hoe de kaarten worden gemaakt en geeft een analyse van de herkomst en ontwikkeling in de tijd van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De totale depositie is de som van natte en droge depositie en van bijdragen uit Nederland en het buitenland. De Nederlandse landbouw draagt voor ongeveer 40 procent bij aan de stikstofdepositie gemiddeld in Nederland, en de landbouw in het buitenland voor ongeveer 10 procent. Verder draagt het wegverkeer in Nederland en het buitenland samen ongeveer 10 procent bij aan de stikstofdepositie, ongeveer evenveel als de industrie. De onzekerheid in de berekende stikstofdepositie is gemiddeld voor Nederland 30 procent en lokaal 70 procent (1 sigma). De gebruiker van deze kaarten moet met deze onzekerheid rekening houden.

De natuur in Nederland wordt op veel plaatsen negatief beïnvloed door een hoge depositie van stikstof. Te hoge depositie heeft negatieve gevolgen voor de biodiversiteit. De hoeveelheid stikstof die vanuit de lucht op de bodem terechtkomt, berekend met de in dit rapport beschreven methoden, blijkt bijna 20 procent lager te zijn dan eerder werd gedacht. Met deze verbeterde inzichten heeft 61 procent van de natuur een overschrijding van de kritische depositiewaarden. Voorheen werd berekend dat het om 65 procent van de natuur ging.

De grootschalige depositiekaarten van stikstof zijn online beschikbaar op www.pbl.nl/gcn.

Auteurs:
G.J.M. Velders (PBL), J.M.M. Aben (PBL), J.A. van Jaarsveld (PBL), W.A.J. van Pul (RIVM), W.J. de Vries (PBL) en M.C. van Zanten (RIVM)

Rapportnummer:
RIVM rapport 500088007

Jaar van uitgave:
2010


Website: Grootschalige stikstofdepositie in Nederland (PDF)
 
Handboek Monitoring Bodemsanering
 

PRISMA rapport

Samenvatting:
Voor het volgen van de bodemsaneringsoperatie richting de doelstellingen uit het derde Nationaal MilieubeleidsPlan zijn goede indicatoren nodig. Zowel voor de uitvoerende bodemoverheden zelf als voor het landelijk beeld is het noodzakelijk te weten of we op de goede weg zijn of dat we moeten bijsturen. Voor het landelijke totaalbeeld is het nodig de voortgangsresultaten van de verschillende bodemoverheden naast elkaar te kunnen leggen.

Om de gegevens over bodemonderzoek en -sanering vervolgens op een betrouwbare manier te kunnen vergelijken en aggregeren is het van groot belang dat de gehanteerde indicatoren eenduidig en goed vergelijkbaar zijn. Dit handboek geeft hiervoor de basis.

Auteurs:
Quintens advies & management, Tauw BV en RIVM (versie 1, oktober 2001) en Royal Haskoning (versie 2, februari 2003)

Jaar van uitgave:
2003


Website: Handboek Monitoring Bodemsanering (PDF)
 
Handleiding voor de gevolgtijdelijke modellering van bodemrespons op atmosferische depositie
 

Samenvatting:
Dit rapport informeert het netwerk van National Focal Centra (NFCs) over de vereisten van methodologieën voor de gevolgtijdelijke (dynamische) modellering van geochemische processen, vooral in bodems. Deze informatie is nodig om het Europese luchtbeleid te kunnen ondersteunen met kennis over tijdsvertragingen van ecosysteemherstel of -schade als gevolg van veranderingen, in de tijd, van verzurende depositie.

  

Het is geschreven op verzoek van werkgroepen onder de Conventie van Grootschalige Grensoverschrijdende Luchtverontreiniging (CLRTAP). Dit ter ondersteuning van de uitbreiding met dynamische model parameters van de Europese databank die momenteel uitsluitend kritische waarden voor verzurende en vermestende deposities bevat. Een Very Simple Dynamic (VSD) model wordt beschreven teneinde NFCs aan te moedigen om te voldoen aan minimale databehoeften bij de uitbreiding van nationale databanken van kritische waarden.

  

De handleiding kan worden geraadpleegd in combinatie met het gebruik van een geïmplementeerde versie van het VSD dat beschikbaar is op www.rivm.nl/cce. De handleiding geeft ook een overzicht van bestaande dynamische modellen die doorgaans meer complexe databehoeften hebben. Tenslotte verschaft het rapport een eerste beschrijving van mogelijke verbindingen tussen resultaten van dynamische modellering en geïntegreerde modellen voor de analyse en ondersteuning van luchtbeleid. Deze zijn in de nabije toekomst nodig voor de ondersteuning van de beleidsmatige evaluatie van het 1999 CLRTAP Protocol voor de bestrijding van verzuring, vermesting en troposferische ozon (het Gotenburg protocol) en de EU-richtlijn 2001/81/EG van het Europese Parlement (2001) inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (NEC directive).

 

Auteurs: 

Posch, M.B., J-P. Hettelingh en J. Slootweg

  

Rapportnummer: 

RIVM rapport 259101012

  

Jaar van uitgave: 

2003


Website: Handleiding voor de gevolgtijdelijke modellering van bodemrespons op atmosferische depositie (PDF)
 
Het ammoniakgat: onderzoek en duiding
 

Samenvatting:
De berekende concentratie van ammoniak in de buitenlucht was de afgelopen jaren ongeveer 25% lager dan de gemeten concentraties uit het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM. Dit verschil werd het ammoniakgat genoemd. Op basis van recent onderzoek door het RIVM in samenwerking met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Wageningen Universiteit (WUR) en het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) is het rekenmodel aangepast en kon worden vastgesteld dat er geen significant verschil meer is tussen de gemeten en de berekende concentraties van ammoniak. Dit betekent dat een grote onzekerheid die er was rond de hoogte van de ammoniakemissies en het bereiken van de ammoniakemissiedoelstelling in de National Emission Ceiling Directive (NECD) van de EU in 2010 voor Nederland is afgenomen.

In dit onderzoek zijn de drie gebieden waar de mogelijke oorzaken van het ammoniakgat zaten verder uitgewerkt: a) in de metingen van ammoniak in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, b) in de berekeningswijze van het verspreidingsmodel OPS van PBL/RIVM en c) in de ammoniakemissies.

De metingen van ammoniak in de buitenlucht blijken een onzekerheid van circa 7% te hebben. Op basis van recente literatuur en nieuwe metingen door RIVM/WUR kon de conclusie getrokken worden dat de snelheid waarmee ammoniak uit de atmosfeer verwijderd wordt, tengevolge van opname door vegetatie en bodem, aanzienlijk lager is dan werd aangenomen in het OPS-model. Hierdoor werd de ammoniakconcentratie in de buitenlucht ongeveer 15% te laag berekend. Hiermee werd het ammoniakgat verkleind naar 10%. Daarnaast blijken er nog emissies van ammoniak te zijn vanaf gewassen, met name tijdens afrijping, die niet in de nationale emissies meegenomen worden. Dit zou circa 4% van de nationale emissies kunnen bedragen. Als deze emissies meegenomen worden, verkleint het ammoniakgat verder naar circa 5%.

Aangezien zowel de metingen als de berekeningen van de ammoniakconcentratie nog onzekerheden bevatten, kan gesteld worden dat het huidige verschil tussen de gemeten en de berekende ammoniakconcentratie niet significant meer is.

Auteurs:
Pul, W.A.J. van, M.M.P. van den Broek MMP,H.  Volten, A. van der Meulen, A.J.C. Berkhout, K.W. van der Hoek, Wichink Kruit, J.F.M. Huijsmans, J.A. van Jaarsveld, B.J. de Haan en R.B.A. Koelemeijer

Rapportnummer:
RIVM rapport 680150002

Jaar van uitgave:
2008


Website: Het ammoniakgat: onderzoek en duiding (PDF)
 
Hinder, bezorgdheid en woontevredenheid in Nederland: Inventarisatie verstoringen 2008
 

Samenvatting:
De Inventarisatie Verstoringen is een 5-jaarlijkse nationale inventarisatie van hinder door geluid, geur, trillingen en licht. Opmerkelijk aan deze inventarisatie zijn de lagere (ernstige) hinderpercentages voor de meeste van de onderzochte bronnen van geluid, geur en trilling ten opzichte van vijf jaar geleden, terwijl de blootstellingniveaus niet tot nauwelijks zijn gedaald. Waarschijnlijk is de gewijzigde vraagstelling, gewijzigd ten behoeve van internationale harmonisering, hier debet aan.

De woontevredenheid is de afgelopen jaren toegenomen. Toch is er nog steeds sprake van ernstige hinder in de leefomgeving, ondanks de inspanningen van de overheid om dit te verminderen. Omgevingsgeluid, geur, trillingen en licht zijn belangrijke veroorzakers van ernstige hinder en slaapverstoring. Geluid van wegverkeer is de grootste bron van ernstige geluidhinder. Bezorgdheid over de eigen veiligheid door wonen in of in de buurt van een onveilige woonsituatie neemt af. De ernstige bezorgdheid hierover neemt echter wel toe. Eén op de drie burgers is bezorgd over wonen op of in de buurt van een locatie met bodemverontreiniging. In het algemeen is men zowel tevreden over de woning als over de woonomgeving.

Over het openbaar vervoer in de buurt is men het minst tevreden hoewel de ontevredenheid hierover de afgelopen jaren het meest is afgenomen. Het groen in buurt wordt zeer gewaardeerd en de kwaliteit ervan wordt goed bevonden. Veel mensen vinden dat ze in een groene buurt wonen en zijn hier ook tevreden over. Vooral de mogelijkheid die groenvoorzieningen bieden om te recreëren wordt zeer gewaardeerd. Ongeveer de helft van de inwoners in Nederland vindt zijn eigen buurt niet stil. Eén op de acht vindt dit ook geen belangrijk aspect van de woonomgeving. Voor één op de zes inwoners hoeft de wijk niet stiller, voor ongeveer één op de negen inwoners is de buurt niet stil genoeg.

Dit zijn de belangrijkste bevindingen uit de zesde nationale 'Inventarisatie Verstoringen' die het ministerie van I&M heeft laten uitvoeren. Het onderzoek werd eind 2008 uitgevoerd door het centrum voor Milieu, Gezondheid en Omgevings-kwaliteit (MGO) van het RIVM. Ruim 1200 inwoners van Nederland deden mee aan het mondelinge vragenlijstonderzoek.

Auteurs:
Poll, H.F.P.M. van, O.R.P. Breugelmans en J.L.A. Devilee

Rapportnummer:
RIVM rapport 630741001

Jaar van uitgave:
2011


Website: Hinder, bezorgdheid en woontevredenheid in Nederland : Inventarisatie verstoringen 2008 (PDF)
 
Implementatie meetstrategie drinkwater bij kernongevallen. Resultaten DRIMKO-project
 

Samenvatting:
De Nederlandse drinkwaterlaboratoria beschikken over net voldoende capaciteit om tijdens een nucleaire ramp radiologische analyses uit te voeren. Een radioactieve besmetting van het oppervlaktewater kan van invloed zijn op de drinkwaterkwaliteit. Om de stralingsdosis voor de bevolking in te kunnen schatten, moeten er in een korte tijd veel monsters worden geanalyseerd.
In zo'n situatie analyseren drinkwaterbedrijven vaker monsters op radioactiviteit dan normaal. De monsters worden op meerdere plaatsen in het drinkwaterzuiveringsproces genomen.

  

Om een goed beeld te krijgen van de bemonsterings- en meetstrategieën van ruw- en reinwater heeft het RIVM een aantal gegevens over de bedrijfsvoering van drinkwaterbedrijven verzameld. De gegevens hebben betrekking op het geschatte aantal monsters, de bestaande meet- en analysecapaciteit en de capaciteit die tijdens een kernongeval nodig is.

 

Maatregelen om de drinkwaterzuivering aan te passen tijdens een nucleair ongeval zijn beperkt. De belangrijkste mogelijkheden op korte termijn zijn het besmette ruwe water door te laten stromen naar zee en de beluchting tijdens het zuiveringsproces te minimaliseren. Door recente fusieontwikkelingen in de drinkwaterwereld is de capaciteit van enkele laboratoria gecentraliseerd. De krappe capaciteit op het gebied van radio-activiteitsmetingen is een factor om in de toekomst rekening mee te houden.

 

Auteurs:
Kwakman, P.J.M. en H.A.J.M. Reinen  

Rapportnummer:

RIVM rapport 703719021

 

Jaar van uitgave:

2008


Website: Implementatie meetstrategie drinkwater bij kernongevallen (resultaten DRIMKO-project) (PDF)
 
Informatieanalyse Waterbeheer. Beleidsmonitor water
 

Samenvatting:
De informatie over de toestand van watersystemen is vrij goed op orde. Jaarrapportages, mede ter ondersteuning van het VBTB-proces, zijn hiermee goed op te stellen. Voor grote delen van die informatie bestaan goed functionerende systemen voor inwinning. Scherper formuleren van beleidsdoelen en een nadere vaststelling over welke beleidsdoelen jaarlijks in VBTB-kader wordt gerapporteerd, leidt tot een betere evalueerbaarheid en een efficiënter systeem van inwinning.

  

Op enkele onderdelen is momenteel geen informatie beschikbaar of wordt die niet centraal ingewonnen. Dit betreft met name informatie over waterkwantiteit, infrastructuur en inrichting. Hiervoor zijn nadere afspraken nodig, met name met de (water)beheerders. Het waterbeheer ondergaat grote veranderingen, vooral als gevolg van de EU-Kaderrichtlijn Water en de implementatie van het Waterbeleid 21e eeuw. Procesinformatie over de voortgang van deze veranderingen is niet centraal beschikbaar. Voor toekomstige evaluaties is informatie nodig uit aanpalende beleidsterreinen (Milieu, Ruimtelijke Ordening, Landbouw, Natuur). De informatievoorziening zal ook op deze beleidsterreinen moeten aansluiten.

 

 

 


Auteurs:
Maaskant, J.F.N., R.J. Leewis en A.H.M. Bresser (eds)


Rapportnummer:
RIVM rapport 500799001

Jaar van uitgave:
2003


Website: Informatieanalyse Waterbeheer : Beleidsmonitor water (PDF)
 
Integratie van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit en het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid
 

Volledige titel:
Integratie van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit en het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid: Een verkenning van opties

Samenvatting:
Het is mogelijk het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) en het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) te integreren, om de beschikbaarheid van data en de efficiency te vergroten. Het LMB onderzoekt de samenstelling van de bodem in Nederland voor tien combinaties van grondsoort en grondgebruik (categorieën), vooral op landbouwbedrijven. Het LMM onderzoekt de kwaliteit van het bovenste grondwater op landbouwbedrijven. Voorafgaand aan een beslissing over integratie moet echter een keuze gemaakt worden tussen de oorspronkelijke doelstellingen van het LMB. De ene is veranderingen in de bodemkwaliteit in de tijd volgen. De andere is verschillen in de bodemkwaliteit tussen categorieën onderzoeken en zo mogelijk verklaren. Alleen wanneer wordt gekozen voor de laatste doelstelling is het zinvol om de meetnetten samen te voegen. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM met het LEI heeft verricht op verzoek van het ministerie van I&M.

Als de eerste doelstelling, het volgen van veranderingen in de tijd, als belangrijkste wordt gezien, wordt geadviseerd de meetnetten niet samen te voegen en daadwerkelijk op vaste plekken te bemonsteren. Veranderingen in de bedrijfsvoering worden dan niet meegenomen. De opzet van het meetnet dat daarvoor nodig is strookt namelijk niet met een systeem van vaste meetpunten. Uit het onderzoek is eveneens gebleken dat diverse landbouwbedrijven uit het LMB de afgelopen jaren zijn afgevallen en vervangen door een soortgelijk bedrijf. Ook zijn bedrijven binnen het LMB in de tijd veranderd van bedrijfsopzet en bedrijfsoppervlak. Daarnaast is de oorspronkelijke overlap met het LMM en het BIN afgenomen. Het BIN is het Bedrijven Informatie Net van het LEI dat actuele gegevens over de bedrijfsvoering levert.

Rapportnummer:
68071900

Auteurs:
Buis, E., E.J.W. Wattel-Koekkoek, T.C. van Leeuwen, J.W. Reijs, B. Fraters, M. Rutgers, L.J.M. Boumans en K.W. van der Hoek

Jaar van uitgave:
2011


Website: Integratie van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit en het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (PDF)
Email:esther.wattel@rivm.nl
 
Interprovinciale rapportage Milieu, Water, Landbouw en Natuur (IPO / RIVM)
 

PRISMA rapport

Samenvatting:
De rapportage heeft als doel integraal inzicht te geven in wat in 2002 in interprovinciaal verband en door de provincies afzonderlijk is gepresteerd.

De doelgroep van de rapportage is primair de bestuurlijke IPO-adviescommissie Milieu, Water, Landbouw en Natuur (IPO-MWLN). In het verlengde daarvan richt de rapportage zich op de colleges van Gedeputeerde Staten, Provinciale Staten en het (inter)provinciaal management. In verband met in het DUIV-overleg afgesproken rapportageverplichtingen worden ook de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Inspectie Milieuhygiëne tot de primaire doelgroepen gerekend.

De rapportage wordt daarnaast ook voorgelegd aan de Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Verkeer en Waterstaat, de besturen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Unie van Waterschappen en landelijk opererende belangenorganisaties, zoals de Stichting Natuur en Milieu en het Verbond van Nederlandse Ondernemingen.

Auteurs:
Projectgroep BEM1

Jaar van uitgave:
2003


Website: Interprovinciale rapportage Milieu, Water, Landbouw en Natuur (PDF)
 
Inventarisatie van de gegevens-, monitor- en modelbehoefte voor de EU-Nitraatrichtlijnrapportage 2008
 

Samenvatting:
Het RIVM heeft een handleiding opgesteld voor de rapportage over de hoeveelheid nitraat in oppervlaktewater en de bovenste grondwaterlaag. Nederland moet daarover, net als alle andere EU-lidstaten, elke vier jaar verslag uitbrengen, conform de Europese Nitraatrichtlijn. De volgende rapportage vindt in 2008 plaats. In de handleiding staan de taken en acties beschreven die betrokken partijen moeten uitvoeren om de beschikbare informatie tijdig aan te leveren, af te stemmen en tot een geheel te smeden. Het doel is een snel en efficiënt rapportagetraject mogelijk te maken.


Auteurs:
Fraters, B., J. Doze, P.H. Hotsma, V.T. Langenberg, C.T. van Leeuwen, C.S.M. Olsthoorn, W.J. Willems en M.H. Zwart

 

Rapportnummer:
Briefrapport id: 680716001

RIVM briefrapport 680716001


Jaar van uitgave:
2007


Website: Inventarisatie van de gegevens-, monitor- en modelbehoefte voor de EU-Nitraatrichtlijnrapportage 2008 (PDF)
 
Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2002
 

Samenvatting:
Op basis van metingen en modelberekeningen wordt een samenvattend beeld gegeven van de luchtkwaliteit en de belasting van bodem en oppervlaktewater door atmosferische depositie in Nederland in 2002. Het rapport bestaat uit hoofdstukken over mondiale, fotochemische, verzurende en vermestende, deeltjesvormige en lokale luchtverontreiniging.

 

Auteurs:
E. Buijsman

 

Rapportnummer:

ISSN: 1574-4930

RIVM Rapport 500037004

 

Jaar van uitgave:

2004


Website: Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2002 (PDF)
 
Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2003-2006
 

Samenvatting:

In Nederland zijn tussen 2003 en 2006 Europese normen voor de luchtkwaliteit overschreden. Dit geldt in het bijzonder voor stikstofdioxide, fijn stof en ozon. Vooral in 2003 was het aantal overschrijdingen hoog, mede vanwege weersomstandigheden als langdurige droge periodes. Dit blijkt uit meetresultaten van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM.

 

Vooral in de jaren 2003 en 2006 waren er enkele dagen met ernstige smog door ozon (concentraties boven de Europese alarmdrempel). Deze overschrijdingen traden vooral op tijdens hittegolven. Op ongeveer de helft van de meetlocaties in straten waar het verkeer in hoge mate bijdraagt aan de stikstofdioxideconcentratie, ligt de gemiddelde concentratie per jaar boven het gestelde maximum. De concentraties stikstofdioxide op plattelandslocaties zijn de afgelopen vier jaar relatief weinig veranderd en liggen onder de norm.

 

De fijnstofconcentraties zijn de afgelopen drie jaar relatief constant geweest, na een piek in 2003. Voor fijn stof geldt een norm voor lang- en kortdurende blootstelling van de bevolking. Dit is een jaargemiddelde en een daggemiddelde dat slechts een aantal keer per jaar mag worden overschreden. In 2006 is op diverse locaties het maximum aantal dagen van de norm voor de kortdurende blootstelling overschreden. De jaargemiddelden van 2003 tot en met 2006 liggen onder de norm voor langdurende blootstelling. Gemeten over een langere termijn, vijftien en veertien jaar, vertonen zowel stikstofdioxide als fijn stof een duidelijke daling in de jaargemiddelde concentraties. Voor de afgelopen zeven jaar is niet te bepalen of deze trend nog steeds opgaat.


Acteurs:

Beijk, R., D. Mooibroek en R. Hoogerbrugge

 

Rapportnummer:

RIVM rapport 680704002

 

 


Website: Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2003-2006 (PDF)
 
Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2006
 

PRISMA rapport

Volledige titel:
Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2006. Een rapportage van de bevoegde overheden bodemsanering.

Samenvatting:
Met dit jaarverslag informeren de bevoegde overheden in het kader van de Wet bodembescherming hun bestuur en de minister van I&M over de voortgang van de bodemsaneringsoperatie in 2006.

Het jaarverslag is een product van RIVM, het ministerie van I&M, IPO, LIB en VNG.

Jaar van uitgave:
2007


Website: Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2006 (PDF)
 
Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2007
 

PRISMA rapport

Volledige titel:
Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2007. Een rapportage van de bevoegde overheden bodemsanering.

Samenvatting:
Met dit jaarverslag informeren de bevoegde overheden in het kader van de Wet bodembescherming hun bestuur en de minister van I&M over de voortgang van de bodemsaneringsoperatie in 2007.

Het jaarverslag is een product van RIVM, het ministerie van I&M, IPO, LIB en VNG.

Jaar van uitgave:
2008


Website: Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2007 (PDF)
 
Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2008
 

PRISMA rapport

Volledig titel:
Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2008. Een rapportage van de bevoegde overheden bodemsanering.

Samenvatting:
Met dit jaarverslag informeren de bevoegde overheden in het kader van de Wet bodembescherming hun bestuur en de minister van I&M over de voortgang van de bodemsaneringsoperatie in 2007.

Het jaarverslag is een product van RIVM, het ministerie van I&M, IPO, LIB en VNG.

Jaar van uitgave:
2008


Website: Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2008 (PDF)
 
Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2009
 

PRISMA rapport

Volledige titel:
Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2009. Een rapportage van de bevoegde overheden bodemsanering.

Samenvatting:
Met dit jaarverslag informeren de bevoegde overheden in het kader van de Wet bodembescherming hun bestuur en de minister van I&M over de voortgang van de bodemsaneringsoperatie in 2009.

Het jaarverslag is een product van RIVM, het ministerie van I&M, IPO, LIB en VNG.

Jaar van uitgave:
2010


Website: Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2009 (PDF)
 
KRW en GWR: Handreiking trend en trendomkering
 

Samenvatting:
De implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en Grondwaterrichtlijn (GWR) in de Nederlandse wetgeving geschiedt door regelingen voor monitoring en rapportage aan de Europese Unie in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) vast te leggen. Op grond van artikel 5 en bijlage IV van de GWR moeten de lidstaten van de Europese unie rapporteren over trend en trendomkering van de grondwaterkwaliteit. De teksten van de GWR zijn ongeschikt als tekst voor een AMvB.

 

Dit rapport geeft de benodigde procedures waarnaar in de AMvB kan worden verwezen. De procedures zijn ontleend aan het Technical report nr.1 'The EU Water Framework Directive: statistical aspects of the identification of groundwater pollution trends and aggregation of monitoring results'.

In de EU zijn discussies over procedures voor trend en trendomkering nog steeds gaande; deze kunnen leiden tot een herziening van dit rapport.

 

Auteurs:
Boumans, L.J.M., H.F.R. Reijnders en W. Verweij

 

Rapportnummer: 

RIVM rapport 607300006


Jaar van uitgave:
2008


Website: KRW en GWR: Handreiking trend en trendomkering PDF
 
KRW-maatlat voor zoet getijdenwater (R8) - nadere analyses
 

Samenvatting:
De in 2007-2009 ontworpen biologische maatlat voor de chemische kwaliteit van sedimenten in zoete getijdenwatern (watertype R8) kan mogelijk worden verbeterd door soorten met een zwakke indicatiewaarde anders of niet mee te wegen.

De Europese Kader Richtlijn Water (KRW) schrijft het gebruik voor van biologische methoden om te toetsen of een watersysteem een goede ecologische toestand heeft. De ecologische toestand is niet optimaal als de samenstelling van de dier- en plantensoorten afwijkt van de referentie. Dergelijke referenties verschillen per watertypen. De aard van de afwijkingen geeft inzicht in de oorzaak van de verandering in soortensamenstelling: er verdwijnen soorten die gevoelig zijn voor een bepaalde verstoring, of er verschijnen juist soorten die hiervoor ongevoelig zijn. Een ecosysteem wordt echter beïnvloed door een verscheidenheid aan verstoringen, waarvan de effecten slechts gedeeltelijk verschillend zijn.

Om de chemische kwaliteit van sedimenten in zoete getijdewateren (watertype R8) te beoordelen is in de periode 2007-2009 in opdracht van Rijkswaterstaat een biologische methode ontwikkeld. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat deze methode kan worden verbeterd door soorten met een geringe indicatiewaarde voor verontreiniging anders of niet mee te wegen. Dit onderzoek is in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd, om de R8-maatlat te verbeteren en het vertrouwen in de uitkomsten van de maatlat te vergroten. Indertijd is bij het afleiden van deze methode uitgegaan van de levensgemeenschap van soorten als geheel. Ook zijn de concentraties van individuele giftige stoffen in de sedimenten betrokken. Bij de nu uitgevoerde analyse van dezelfde meetgegevens is de reactie van individuele soorten bekeken in relatie tot enkele uiteenlopende milieufactoren en een kwantitatieve waarde voor de mate waarin het mengsel toxicanten in de betrokken sedimenten schadelijk is (toxische druk). Dit maakt het mogelijk om met grotere zekerheid de indicatiewaarde van de individuele soorten voor de aanwezigheid van toxiciteit te bepalen.

Auteurs:
Posthuma, L., D. de Zwart, J. Postma en B. Reeze

Rapportnummer:
607080001

Jaar van uitgave:
2011


Website: KRW-maatlat macrofauna voor zoet getijdenwater (R8) - nadere analyses (PDF)
 
Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland, periode 1992-2006
 

Samenvatting:
Als gevolg van de Europese Nitraatrichtlijn is het stikstofoverschot in de Nederlandse landbouw tussen 1992 en 2007 afgenomen met bijna 40 procent. Dit is een van de conclusies. Dit rapport geeft een overzicht van de ontwikkelingen in de waterkwaliteit ten opzichte van Nederlandse maatregelen in de landbouw om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater te verbeteren.

 

Het nitraatgehalte in het grondwater onder landbouwpercelen is in de periode van 1992 tot 2007 sterk gedaald, vooral in de zandregio's. Daar daalde de gemiddelde concentratie van 140 mg/l naar 75 mg/l. Ook in de kleiregio's zijn de gehaltes gedaald en lagen ze in deze periode ruim onder de norm van 50 mg/l. In de veenregio's is altijd weinig nitraat in het grondwater aanwezig geweest. Sinds 1992 is de chlorofyl-a concentratie (een indicator voor mate waarin het water eutrofieert) in regionale oppervlaktewateren die door de landbouw worden beinvloed constant gedaald. De gemiddelde nitraatconcentratie in de winterperiode in het zoete oppervlaktewater vertoont een afname sinds 1998. Zowel nitraatgehaltes in, als de eutrofiering van het water neemt af. Het duurt echter enkele jaren voordat effecten van beleidsmaatregelen door boeren in de waterkwaliteit waarneembaar zijn. Verwacht wordt dat de effecten van de recente beleidsmaatregelen uit het huidige actieprogramma (2004-2009) pas over een aantal jaren te zien zullen zijn in de waterkwaliteit. Het is daarom te verwachten dat de waterkwaliteit pas in de periode 2010-2015 verder verbeterd.

 

Auteurs:
Zwart, M.H., A.E.J. Hooijboer, B. Fraters, M. Kotte, R.N.M. Duin, C.H.G. Daatselaar, C.S.M. Olsthoorn en J.N. Bosma

Rapportnummer:

RIVM rapport 680716003

 

Jaar van uitgave:
2008


Website: Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland, periode 1992-2006 (PDF)
 
Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor de derogatie: beschrijving meetopzet 2006-2009
 

Volledige titel:
Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor de derogatie. Beschrijving van de meetnetopzet voor de periode 2006-2009 en de inhoud van de rapportages vanaf 2008.

Samenvatting:
Het RIVM en het LEI hebben in 2006 in Nederland een monitoringnetwerk opgezet dat de gevolgen meet als landbouwbedrijven mogen afwijken (derogatie) van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet volgt driehonderd landbouwbedrijven die zich hebben aangemeld voor derogatie. Het legt de gevolgen vast voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit. In dit rapport is de opzet van het monitoringnetwerk beschreven, evenals de wijze waarop vanaf 2008 over de resultaten zal worden gerapporteerd. Het rapport geeft onder andere aan wanneer welke cijfers beschikbaar zijn, en welke rekenmethoden gebruikt zullen worden om onder andere de bemesting en gewasopbrengst te berekenen.

 

De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het stikstofgebruik via dierlijke mest te beperken tot maximaal 170 kg per hectare. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen hiervan onder voorwaarden af te wijken. Nederland heeft in december 2005 toestemming gekregen om vanaf 2006 tot en met 2009 onder voorwaarden af te mogen wijken van de gestelde norm. Dit betekent dat landbouwbedrijven 250 kilo stikstof per hectare mogen toedienen via dierlijke mest afkomstig van graasdieren (vooral koeien). Een van die voorwaarden is dat minimaal 70 procent van het totale areaal grasland is. Daarnaast is de Nederlandse overheid verplicht een monitoringnetwerk in te richten en de Commissie over de resultaten daarvan te rapporteren. De driehonderd deelnemers die worden gevolgd, zijn een steekproef van de circa 27.000 Nederlandse landbouwbedrijven die zich hebben aangemeld voor derogatie. Het netwerk is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM).


Auteurs:
Fraters, B., T.C. van Leeuwen, J. Reijs, L.J.M. Boumans, H.F.M Aarts, G.H.G. Daatselaar, G.J. Doornewaard, D.W. Hoop, J.J. Schroder, G.L. Velthof en M.H. Zwart

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 680717001.

 

Jaar van uitgave:

2007


Website: Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor de derogatie. Beschrijving meetnetopzet 2006-2009 (PDF)
 
Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie: resultaten 2008
 

Volledige titel:
Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie: Resultaten meetjaar 2008 in het derogatiemeetnet

Samenvatting:
Dit rapport biedt een overzicht van mestpraktijken in 2008 en van de waterkwaliteit  in 2008 en 2009 van graslandbouwbedrijven die boven de gestelde EU limiet mochten mesten.

Auteurs:
Zwart, M.H., C.H.G. Daatselaar, L.J.M. Boumans en G.J. Doornewaard

Jaar van uitgave:
2010

 


Website: Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie: resultaten 2008 (PDF)
 
Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie: resultaten meetjaar 2009 in het derogatiemeetnet
 

Samenvatting:
Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk in 2009 en de waterkwaliteit in 2009 en 2010 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in de EU-Nitraatrichtlijn is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2009 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2008, het derde jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De waterkwaliteit gemeten in 2010 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2009.

De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum (de gebruiksnorm dierlijke mest van 170 kg N/ha). Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft in december 2005 derogatie gekregen om van 2006 tot en met 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm. Deze derogatie is op 5 februari 2010 verlengd tot en met 2013. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan.

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het LEI, onderdeel van Wageningen UR, hebben in 2006 voor Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Van 275 graslandbedrijven is de bedrijfsvoering gemonitord en van 285 bedrijven de waterkwaliteit. Het meetnet omvat 300 graslandbedrijven. Dat er minder dan 300 bedrijven zijn gerapporteerd komt doordat sommige bedrijven achteraf geen derogatie toepasten of toegekend kregen en komt ook door bedrijfswisselingen in het meetnet.

Auteurs:
Zwart, M.H., C.H.G. Daatselaar, L.J.M. Boumans en G.J. Doornewaard

Jaar van uitgave:
2011

Rapportnummer:
680717022


Website: Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie: resultaten meetjaar 2009 in het derogatiemeetnet (PDF)
 
Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit: resultaten tweede meetronde 1999-2003
 

Samenvatting:
De hoeveelheid organische stof en zware metalen in de bodem van landbouwgrond en bos is tussen 1993 en 2003 niet aantoonbaar veranderd. Waargenomen verschillen vallen binnen de variatie van de meetresultaten. Dit blijkt uit een vergelijking van twee cycli van metingen van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB), dat door het RIVM wordt beheerd.

Zware metalen en organische stof zitten van nature in de bodem. Daarnaast komen zware metalen in landbouwgronden terecht via kunst- en dierlijke mest, en in bosgronden via de lucht. In de onderzochte periode zijn per saldo te weinig zware metalen aan de bodem toegevoegd om dat in deze meetperiode terug te zien in de bodemanalyses.

Het LMB is een meerjarig meetprogramma met circa tweehonderd locaties, voornamelijk op landbouwgrond. De metingen worden elke zes jaar uitgevoerd op tien combinaties van grondgebruik en grondsoort. De eerste cyclus vond plaats tussen 1993 en 1997, de tweede tussen 1999 en 2003. In de eerste meetronde zijn de bodemlagen van 0 tot 10 en 30 tot 50 cm en het bovenste grondwater bemonsterd. Analyses zijn uitgevoerd op organische stof, zware metalen en organische microverbindingen. In de tweede meetronde is alleen de bodemlaag van 0 tot 10 cm bemonsterd en geanalyseerd op organische stof en zware metalen. In deze ronde namen voor de eerste keer landbouwbedrijven op lössgrond deel. Van hen is ook de bodemlaag 30 tot 50 cm bemonsterd en zijn analyses op organische microverbindingen uitgevoerd.

Landbouwbedrijven op zand en zeeklei bleken over het algemeen lagere gehalten aan zware metalen te hebben. Bedrijven op veen, rivierklei en löss hebben daarentegen hogere gehalten aan zware metalen, maar de interventiewaarden hiervoor worden op geen enkel bedrijf overschreden. Ook in de ‘strooisellaag’ in de bossen, de bovenste bodemlaag, zijn hogere gehalten gemeten. De zandbodemlaag in de bossen heeft veel lagere gehalten aan zware metalen dan de strooisellaag, omdat de metalen daar niet doorheen komen.

Auteurs:
de Jong, C.J., en K.W. van der Hoek

Rapportnummer:
RIVM rapport 680718001

Jaar van uitgave:
2009


Website: Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit: resultaten tweede meetronde 1999-2003 (PDF)
 
Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit; Resultaten 1997
 

Samenvatting:
Het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) heeft als primaire doelstelling het nagaan van trendmatige veranderingen in de kwaliteit van de bodem ten gevolge van diffuse belasting van de bodem. Het object van onderzoek is de toplaag van de bodem (0-10 cm); daarnaast wordt ook een diepere bodemlaag en het bovenste grondwater onderzocht.

Het LMB wordt in samenwerking met LEI-DLO en Alterra uitgevoerd. Jaarlijks wordt een 2-tal combinaties van bodemgebruik en grondsoort bemonsterd, bestaande uit ca. 20 locaties per combinatie. De categorieën die in 1997 zijn onderzocht, zijn graslandbedrijven op zeeklei en tuinbouw- en bollenbedrijven op klei en zand. Naast algemene kwaliteitsparameters zijn parameters onderzocht die gerelateerd zijn aan de milieuthema's vermesting en verspreiding. Voor beide categorieen geldt dat de categoriegemiddelde metaalgehalten in de bodem beneden de streefwaarde liggen. In het grondwater geldt dat in de categorie grasland op zeeklei de categoriegemiddelde metaalconcentraties beneden de streefwaarden liggen, in de categorie tuinbouw liggen de categoriegemiddelde concentraties van enkele metalen boven de streefwaarden. Voor een groot aantal individuele PAK liggen in beide categorieën de locatiegemiddelde gehalten boven de streefwaarde. Voor de categorie grasland liggen de categoriegemiddelde gehalten aan HCB in de bodem boven de streefwaarde. Voor de categorie tuinbouw geldt dit voor HCB, beta-endosulfan en de som-DDT, op de bollenbedrijven geldt dit voor HCB en dieldrin. Op de graslandbedrijven liggen de categoriegemiddelde concentraties aan orthofosfaat, chloride, sulfaat en kalium in het bovenste grondwater boven de normen, op de tuinbouwbedrijven geldt dit voor orthofosfaat, nitraat, sulfaat en kalium, op de bollenbedrijven geldt dit voor totaal- en orthofosfaat, ammonium, chloride, sulfaat en kalium. Het overschot aan N is op de bemonsterde graslandbedrijven vergelijkbaar met het gemiddelde graslandbedrijf, het P-overschot is lager. Uit het zware metalen-overschot verminderd met de berekende uitspoeling op basis van de categoriegemiddelde concentraties aan zware metalen in het grondwater blijkt dat op de grasland- en bollenbedrijven sprake is van accumulatie van cadmium, koper, zink en lood in de bodem.

In het rapport is beschreven in hoeverre er correlaties bestaan tussen de huidige belasting (zware metalen) en gehalten in bodem en grondwater. In de categorie grasland wordt alleen voor koper een positieve correlatie gevonden tussen belasting en bodemgehalten en in de categorie bollenteelt wordt alleen voor lood een positieve correlatie gevonden tussen belasting en concentraties in grondwater.

Auteurs:
Groot, M.S.M., J.J.B. Bronswijk en T.C. van Leeuwen

Rapportnummer:
RIVM rapport 714801029

Jaar van uitgave:
2003


Website: Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit; Resultaten 1997 (PDF)
 
Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit: resultaten eerste meetronde 1993-1997
 

Samenvatting:

Het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) heeft als doelstelling het beschrijven en verklaren van de huidige bodemkwaliteit en veranderingen daarvan in het landelijk gebied van Nederland onder invloed van diffuse belasting. De eerste meetronde is in 1993 gestart en beëindigd in 1997. De tweede meetronde vindt van 1999 t/m 2003 plaats. In dit rapport worden de resultaten van de eerste meetronde samengevat.

Het blijkt dat voor zware metalen en PAK in de bodem van het landelijk gebied relatief weinig streefwaardeoverschrijdingen voorkomen. De gehalten aan (inmiddels verboden) persistente bestrijdingsmiddelen als DDT, HCH en drins in de bodem zijn nog op grote schaal fors hoger dan de streefwaarde. In het bovenste grondwater wordt de streefwaarde voor zware metalen vaak overschreden. Onder bos op zand in Zuid-Nederland wordt soms de interventiewaarde voor zware metalen in het grondwater overschreden. De bronnen van de gevonden streefwaardeoverschrijdingen liggen voor een belangrijk deel in het verleden: de zinkindustrie in Zuid-Nederland, de toemaakdekken in het veenweidegebied, de overstromingen van rivierkleigronden, de looddepositie door verkeer en de bemesting in de landbouw. Anno 2000 speelt van deze historische bronnen alleen de landbouw nog een grote rol.

 

In de meeste landbouwgronden treedt momenteel accumulatie van zink, lood, koper en cadmium op, vooral door bemesting. Op een termijn van enkele tot tientallen jaren zal vooral bij koper en cadmium het oppervlak met overschrijding van de streefwaarde toenemen. Op kleine schaal hebben de huidige gehalten aan zware metalen in landbouwbodems tot gevolg dat gewaskwaliteitsnormen overschreden kunnen worden. In de komende decennia zal, als gevolg van de voortgaande accumulatie, het oppervlak met overschrijding van gewaskwaliteitsnormen verder toenemen. In sommige akkerbouwpercelen liggen de gehalten aan lindaan, DDT en drins momenteel nog boven de LAC-signaalwaarde. Omdat deze middelen niet meer gebruikt worden, zullen de gehalten in de bodem (langzaam) dalen.


Auteurs:
Bronswijk, J.J.B., M.S.M. Groot, P.M.J. Fest en T.C. van Leeuwen


Rapportnummer:
RIVM rapport 714801031


Jaar van uitgave:
2003


Website: Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit; Resultaten eerste meetronde 1993-1997 (PDF)
 
Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid: resultaten van de monitoring van waterkwaliteit en bemesting in meetjaar 2006 in het derogatiemeetnet
 

Samenvatting:
Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk en de waterkwaliteit in 2006 op graslandbedrijven die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in Europese regelgeving is aangegeven. De waterkwaliteit gemeten in 2006 is het gevolg van de bemestingspraktijk in eerdere jaren en geeft dus nog niet de gevolgen weer van de praktijk in 2006.

 

De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft toestemming gekregen om van 2006 tot en met 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Landbouw Economisch Instituut (LEI) hebben in 2006 in Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenaamde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken (derogatie) van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet omvat driehonderd graslandbedrijven. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM).

In dit rapport worden de resultaten voor 2006, het eerste meetjaar, gepresenteerd. Voor 293 bedrijven waren gegevens over bemesting beschikbaar. De waterkwaliteitsmetingen zijn uitgevoerd op 202 bedrijven.


Auteurs:
Fraters, B., J.W. Reijs, T.C. van Teeuwen en L.J.M. Boumans

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 680717004


Jaar van uitgave:

2008


Website: Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid: resultaten van de monitoring van waterkwaliteit en bemesting in meetjaar 2006 in het derogatiemeetnet (PDF)
 
Locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling - praktijkonderzoek met de TRIADE-benadering deel 2
 

Samenvatting:
Dit rapport beschrijft de tweede fase in het praktijkonderzoek naar de bruikbaarheid van de TRIADE-benadering voor locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling. In deze tweede fase werd gekozen voor een uitbreiding van de ecologische veldwaarnemingen en werd gestreefd naar een betere locale referenties voor verontreinigde percelen. Het is een volgende stap in de ontwikkeling van een beslissingsondersteunende methodiek, die op termijn de huidige urgentie-systematiek voor bodemverontreiniging zou kunnen aanvullen of vervangen. De verontreinigingsgraad was op twee van de drie locaties (te) hoog door de aanwezigheid van een cocktail aan stoffen.

 

De monsters van de vloeivelden Tilburg voldeden het best aan de doelstelling om een uitgebreide TRIADE-beoordeling uit te voeren langs een gradiënt van matig verontreinigde gronden. De methodiek gaf ook hier een gradatie in effecten weer. Er zijn een groot aantal bodemecologische metingen uitgeprobeerd. De meeste gaven onderscheid tussen de monsters. De waargenomen effecten waren kleiner dan op grond van het TRIADE-onderdeel chemie verwacht zou worden. De keuze van een goede referentie blijkt een belangrijk en kritisch aspect in de beoordelingsmethodiek.

 

Auteurs:
Schouten, A.J., J.J. Bogte, E.M. Dirven-van Breemen, M. Rutgers, R. Baerselman, P. van Beelen, J. Bloem, H. Keidel en M. Wouterse

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 711701032


Jaar van uitgave:
2003


Website: Locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling - praktijkonderzoek met de TRIADE-benadering deel 2 (PDF)
 
Meetstrategie bestrijdingsmiddelen voor de drinkwaterbedrijven
 

Samenvatting:
Er zit veel variatie in de meetfrequentie en het aantal bestrijdingsmiddelen in de meetprogramma's van drinkwaterbedrijven. Het algemene beeld is dat de waterbedrijven voldoende monitoren. In het Waterleidingbesluit is een norm voor bestrijdingsmiddelen geformuleerd, maar er is niet gespecificeerd welke bestrijdingsmiddelen gemeten moeten worden. Om tot een meer geharmoniseerde invulling te komen zijn in dit rapport twee meetprotocollen opgenomen aan de hand waarvan de waterbedrijven hun meetstrategie kunnen beschrijven.

  

De resultaten van het onderzoek geven een beeld van de huidige motieven die drinkwaterbedrijven hanteren voor het opzetten van hun meetprogramma bestrijdingsmiddelen. Aspecten die keuze van het bestrijdingsmiddelenpakket beïnvloeden zijn onder meer: kennis over gebruik van middelen in de omgeving, de kwetsbaarheid van de winning, het analyse-aanbod van het waterlaboratorium en meetfrequenties die tussen VEWIN en VROM zijn afgesproken. Aan de hand van deze uitkomsten zijn voor grondwater en oppervlaktewater twee aparte protocollen opgesteld. Hierin zijn de volgende aspecten opgenomen: - beschrijving ruwwater bron; - kwetsbaarheidanalyse van de winning; - inventariseren van relevante middelen; - meetfrequentie; - analysetechniek.

  

De eenduidigheid en inzichtelijkheid in de keuze van middelen, de meetfrequenties en de achterliggende strategieën worden door het volgen van een protocol vergroot. Dit vereenvoudigt tevens de jaarlijkse controle op die meetprogramma's door de VROM-Inspectie.

  

Auteurs:
Morgenstern, P.P. en J.F.M. Versteegh

  

Rapportnummer:
RIVM rapport 703719011


Jaar van uitgave:
2006

 

 


Website: Meetstrategie bestrijdingsmiddelen voor de drinkwaterbedrijven (PDF)
 
Meting van 220Rn en consequenties voor eerdere 222Rn-surveys: VERA-onderzoek
 

Samenvatting:
Er komt minder radioactief radongas (Rn-222) in nieuwbouwwoningen voor dan op basis van eerdere radonsurveys werd aangenomen. De oude radondetectoren blijken na onderzoek ook gevoelig voor radioactief thoron (Rn-220), waarvan meer aanwezig is dan werd gedacht. Dit volgt uit een nader onderzoek aan deze detectoren, dat plaatsvond naar aanleiding van een landelijke survey naar de stralingsbelasting in Nederlandse woningen die tussen 1994 en 2003 zijn gebouwd.

Detectoren die voor internationale vergelijkingsstudies naar radon worden gebruikt, zijn tot nu alleen op dit edelgas ingesteld. Dat sommige typen detector behalve radon ook thoron meten, valt dan niet op. Net als in Nederland is er internationaal een toegenomen aandacht voor thoron vanwege survey-resultaten die sterk door thoron bleken te zijn beinvloed.

Het thoron lijkt afkomstig van een (veel voorkomend) bouwmateriaal met verhoogde thoronuitstoot, mogelijk een afwerkmateriaal. Inmiddels is gebleken dat er gedurende een aantal jaar in Nederland stucmateriaal is toegepast dat door het ingredient fosfogips meer thoron bevatte. Mogelijk geven echter ook andere afwerkmaterialen aanleiding tot een verhoging.

Een groot deel van de dosis straling die mensen binnenshuis ontvangen, is het gevolg van het inademen van de radioactieve vervalproducten van radon en thoron. Radon en thoron worden van nature gevormd in bodem- en bouwmaterialen. Een deel daarvan komt in de woning terecht, omdat ze gasvormig zijn. Blootstelling aan straling in de woning is verantwoordelijk voor ruwweg de helft van de stralingsbelasting die Nederlandse burgers gemiddeld door het jaar heen oplopen.

Auteur:
R.O. Blaauboer

Jaar van uitgave:
2010


Website: Meting van 220Rn en consequenties voor eerdere 222Rn-surveys: VERA-onderzoek (PDF)
 
Milieu risicobeoordeling voor diergeneesmiddelen deel 3 - Modelvalidatie
 

Samenvatting:
In dit rapport wordt de validatie van blootstellings- en verspreidingsmodellen voor bodem, grondwater en oppervlaktewater ten behoeve van de milieurisicobeoordeling bij de registratie van diergeneesmiddelen onderzocht. De functionele validatie met (oxy)tetracycline en sulfonamiden geven een indicatie dat het onmogelijk is de bijdrage van elke afzonderlijke modelparameter aan de variabiliteit in de modelvoorspellingen te bepalen op basis van willekeurige veldbemonstering.

 

Geconcludeerd moet worden dat de beschikbare veldgegevens niet voldoende zijn om de parameter selectie in de modellen te valideren of te verwerpen. Een lysimeter studie met sulfachloropyridazine is gebruikt om de functionele validatie van het grondwatermodel PEARL uit te voeren. Een simulatiefout van 0,02 werd bepaald, hetgeen betekent dat de berekende waarden een factor 50 verschillen van de gemeten waarden. In deze studie worden twee factoren voor onzekerheid in de simulatie onderscheiden. Ten eerste, het voortijdig beëindigen van de studie belemmert de volledige expressie van het neerwaartse transport. Ten tweede, de onzekerheid in de adsorptieprocessen en -parameter is van groot belang voor een betrouwbare simulatie. Ondanks de tekortkomingen van de casus is de potentiële bruikbaarheid van uitspoelingsmodellen voor gewasbeschermingsmiddelen in het algemeen en van PEARL in het bijzonder aangetoond. 

Auteurs:
Montforts, M.H.M.M. en A.J. Verschoor

Rapportnummer:
RIVM rapport 601450016

  

Jaar van uitgave:

2003

 


Website: Milieurisicobeoordeling voor diergeneesmiddelen deel 3. Modelvalidatie (PDF)
 
Milieu-indicatoren op basis van Landelijk Meetnet Flora Milieu- en Natuurkwaliteit
 

Samenvatting:
Het Landelijk Meetnet Flora Milieu- en Natuurkwaliteit (LMF M&N, kortweg LMF, onderdeel van het Netwerk Ecologische Monitoring) volgt op, naar planning, 10.000 permanente kwadraten de vegetatie in Nederland. Doel van het LMF is ten eerste de effecten van milieudruk op de Nederlandse vegetatie te volgen en, ten tweede, om de veranderingen in de ecologische kwaliteit van de vegetaties te volgen, veelal gerelateerd aan de soortsamenstelling.

 

De vraagstelling in dit rapport is hoe effecten van milieudruk op de vegetatie in indicatoren uitgedrukt kunnen worden. Daartoe is langs een drietal lijnen de indicatiewaarde van de vegetatie onderzocht: Hoe verschillen de huidige indicatiewaarden met een historische vergelijking uit de periode 1900-1950?; doel is om de huidige vegetaties en hun indicatiewaarden in context te zetten; Hoe veranderen de indicatiewaarden van de vegetatie over de huidige stikstof depositiegradiënt? Hoe verandert de biomassa van de vegetatielagen over de huidige depositiegradiënt?

 

Uit de ontwikkelde indicatoren blijkt dat in de recente situatie de omvang van de vegetatielagen een gevoelige parameter in de hier onderzochte systemen is (het zijn alle relatief arme systemen op zandgronden). De toename van een vegetatielaag hangt direct samen met een toename van de biomassa van die laag, een effect dat gelieerd is aan de voedselverrijking door stikstofdepositie. De geringe veranderingen in Ellenberg-indicatie over de depositiegradiënt laat zien dat veranderingen in soortsamenstelling (sturende factor achter de verandering van Ellenberg-indicatie) minder gevoelig zijn. De analyse van veranderingen ten opzichte van een historische situatie laat wel degelijk veranderingen in soortsamenstelling zien. Op de arme zandgronden van de open duinen en op de heide zijn twee trends te zien, ten eerste een toename van soorten van voedselrijkere standplaatsen en ten tweede een toename van soorten met een bredere tolerantie voor zuur. Daarbij zijn de soorten met een brede zuurtolerantie ook soorten die bevoordeeld worden door voedselverrijking, namelijk grassen als pijpestrootje en duinriet.

 

Auteurs:
van Veen, M.P., S. van Tol, M.L.P. van Esbroek, H. Noordijk, B. de Knegt en A. van Hinsberg

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 718101003

 

Jaar van uitgave:

2005


Website: Milieu-indicatoren op basis van Landelijk Meetnet Flora Milieu- en Natuurkwaliteit (PDF)
 
Milieuaandachtsgebieden
 

Samenvatting:
Veel woningen in stedelijke gebieden in Nederland ondervinden milieuproblemen. Met name de grote steden hebben last van geluidsoverlast en vervuilde lucht. Dit blijkt uit een inventarisatie van het RIVM. Dit rapport biedt een globaal overzicht van de milieuproblemen in stedelijk gebied.

 

In opdracht van het ministerie van VROM inventariseerde het RIVM de milieubelasting in stedelijke gebieden. Hierbij werd gekeken naar luchtkwaliteit, geluid, bodem en externe veiligheid. Bij de inventarisatie is naar stedelijke postcodegebieden gekeken waarin zich woningen met een kritieke milieubelasting bevinden.

Uit de inventarisatie blijkt dat veel woningen in stedelijke gebieden een overschrijding van kritische grenswaarden voor milieubelasting ondervinden. De overschrijding wordt vaak veroorzaakt door luchtvervuiling, in de vorm van hoge concentraties fijn stof en stikstofdioxide, en lawaai van weg- en railverkeer. Vooral in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, Utrecht en Noord-Brabant spelen deze problemen.

 

Deelkaarten in dit rapport geven per postcodegebied aan welke milieuproblemen zich ter plaatse voordoen en hoe ernstig deze zijn. De kaarten bieden beleidsmakers en planologen een overzicht van de gebieden die in milieutechnisch opzicht aandacht vragen.


Auteurs:
Jabben, J., C. Potma en S. Lutter

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 680300003

 

Jaar van uitgave:

2007


Website: Milieuaandachtsgebieden (PDF)
 
Milieubalans 1999
 

In de Milieubalans 1999 wordt de balans opgemaakt van actuele ontwikkelingen in de milieudruk (emissies en afval) en milieukwaliteit (water, bodem, lucht) tegen de achtergrond van het gevoerde milieubeleid en maatschappelijke ontwikkelingen.

De eindverantwoordelijkheid voor de inhoud van de Milieubalans 1999 ligt bij het RIVM.

Klik hier voor het hele rapport (pdf).


Website: Milieubalans 1999 (PDF)
Email:info@rivm.nl
 
Milieubalans 2004
 

Jaarlijkse publicatie van het Planbureau voor de Leefomgeving.

Samenvatting editie 2004:
De implementatie van Europese richtlijnen in Nederland en de ingezette decentralisatie en integratie van het milieubeleid leidt tot spanningen, zowel in Nederland zelf als tussen Den Haag en Brussel. Er ligt op rijksniveau nog een uitdaging om een duidelijke strategie te formuleren over de interactie tussen het Rijk en de EU en over de invulling van de scharnierfunctie tussen de EU en de regio.


Website: Milieubalans 2004 (PDF)
 
Milieueffectindicatoren voor prioritaire stoffen
 

Samenvatting:

Dit rapport beschrijft een methode die de effecten schat van Nederlandse emissies van prioritaire stoffen op de volksgezondheid en ecosystemen. Prioritaire stoffen vormen een dusdanig gevaar voor het milieu, dat met voorrang emissiereducerende maatregelen zijn getroffen om dat gevaar te verminderen. De methode berekent zogenaamde MilieuEffectIndicatoren (MEI) en is ontwikkeld om te toetsen of de doelstellingen van het Nederlandse milieubeleid gehaald zijn.

 

De eerste milieueffectindicator, de MEI/eco, schat het verlies van soorten organismen in het Nederlandse oppervlaktewater als gevolg van emissies van prioritaire stoffen. Uit een toetsing blijkt dat het effect van prioritaire stoffen op de soortensamenstelling in de periode 1990-2003 ongeveer is gehalveerd. Op basis van de Nederlandse emissies wordt het verlies van soorten in 1990 geschat op 3,2% en in 2003 op 1,8%. De MEI/eco wordt berekend op basis van geschatte blootstelling, de gevoeligheid van soorten voor bepaalde stoffen en de giftigheid van bepaalde stofmengsels. De tweede milieueffectindicator, de MEI/vgz, schat het effect van emissies van prioritaire stoffen op de volksgezondheid. Uit een analyse van de situatie in Nederland blijkt dat de impact van de prioritaire stoffen op de volksgezondheid met ongeveer eenderde is afgenomen. Het effect wordt uitgedrukt in het verlies aan DALY's (Disability Adjusted Life Years), ofwel het aantal gezonde levensjaren dat een populatie verliest door ziekten of voortijdig overlijden. Het effect van de Nederlandse emissies wordt geschat op een verlies van 59.000 DALY in 1990 en 42.000 DALY in 2003. De MEI/vgz wordt berekend op basis van geschatte blootstelling, de ziekteverwekkende eigenschappen van bepaalde stoffen en epidemiologische gegevens.

 

Auteurs:
de Zwart, D., H.A. den Hollander, L. Geelen en M.A.J. Huijbregts

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 607880006

 

Jaar van uitgave:

2006


Website: Milieueffectindicatoren voor prioritaire stoffen (PDF)
 
Model Effectiviteit Instrumenten - Energie; Mechanismen, data en validatie
 

Samenvatting:

Om het energiebesparingsgedrag van bedrijven in kaart te brengen en te kwantificeren heeft het RIVM in samenwerking met de Universiteit van Utrecht en de Vrije Universiteit Amsterdam het Model Effectiviteit Instrumenten - Energie (MEI-Energie) ontwikkeld. Het model beoogt een raamwerk te bieden voor consistente en methodische analyses van historische en toekomstige energiebesparing, met speciale aandacht voor de doorwerking en effectiviteit van het overheidsbeleid. MEI-Energie simuleert het besluitvormingsproces binnen industriële sectoren om al dan niet te investeren in energiebesparende technieken. Het rapport beschrijft de structuur en de algoritmes van het model, en gaat tevens in op de resultaten van een eerste validatie. Daartoe is voor een drietal industriële sectoren de ontwikkeling van de besparing op het finale energiegebruik in de periode 1990 tot 1999 gesimuleerd; de resultaten zijn vervolgens vergeleken met cijfers die gebaseerd zijn op waarneming.

 

Auteurs:
Elzenga, H.E., L.G. Wesselink, J.P.M. Ros, R.F.J.M. Engelen, H. Booij, K. Blok en H.L.F. de Groot

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 550000001

 

Jaar van uitgave:
2003


Website: Model Effectiviteit Instrumenten - Energie; Mechanismen, data en validatie (PDF)
 
Modellering van de interactie tussen de waterstroming in de bodem en het grondwater - Koppeling van LGM en SWAP
 

Samenvatting:
Het Landelijk Grondwatermodel (LGM) en een een-dimensionaal model van de hydrologie van de onverzadigde zone (SWAP) zijn gekoppeld. Met dit gecombineerde model kunnen de waterstromen in het bodem- en grondwatersysteem, alsmede de stromingen vanuit het grondwater naar het oppervlaktewater, berekend worden. Het model kan zodoende de hydrologische invoer leveren voor studies naar de belasting van grond- en oppervlaktewater met nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen. Een andere mogelijke toepassing van het model is de voorspelling van de variatie van de grondwaterstand in de tijd. Om de seizoensdynamiek correct te kunnen berekenen, worden zowel LGM als SWAP dynamisch toegepast.

 

Het model kan op verschillende schalen worden toegepast. De prestaties van het model zijn getoetst in een studie in het Beerze Reusel gebied. In het algemeen bleek dat de overeenkomst tussen de gemiddelde diepte van het grondwaterpeil, zoals berekend met SWAP, goed overeenkwam met de gemiddelde diepte van het grondwaterpeil, zoals berekend met LGM. Het bleek echter ook dat de seizoensdynamiek onderschat werd door LGM. Nadere studie leerde dat dit veroorzaakt werd doordat de zogenaamde freatische bergingscoëfficiënt onjuist van SWAP naar LGM werd overgedragen. Nadat dit hersteld was, was er een nagenoeg perfecte overeenkomst tussen de grondwaterstand berekend door SWAP en de grondwaterstand berekend door LGM. Een aanvullende studie moet aantonen in hoeverre de berekende grondwaterpeilen overeenkomen met de gemeten grondwaterpeilen. Deze studie moet aangeven of het gecombineerde model de hydrologische basis kan leveren voor verdrogingstudies en waterkwaliteitsberekeningen, zoals door het Milieu- en Natuurplanbureau worden uitgevoerd.


Auteurs:
Stoppelenburg, F.J., K. Kovar, M.J.H. Pastoors en A. Tiktak

 

Rapoprtnummer:
RIVM rapport 500026001

 

Jaar van uitgave:
2005


Website: Modellering van de interactie tussen de waterstroming in de bodem en het grondwater - Koppeling van LGM en SWAP (PDF)
 
Monitoring van de milieubelasting en gezondheid rondom de luchthaven Schiphol. Fase III van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol
 

Samenvatting:

In de PKB Schiphol is vastgelegd dat een monitoringsysteem ontwikkeld dient te worden om eventuele veranderingen in milieukwaliteit en/of in de gezondheidstoestand van de bevolking bij uitbreiding van de luchthaven te signaleren. In dit rapport worden overwegingen bij en criteria voor het ontwerp van dit programma beschreven. De doelstelling van het monitoring-programma in het kader van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol (GES) is als volgt geformuleerd: het periodiek bepalen van de milieubelasting samenhangend met de activiteiten van de luchthaven Schiphol en van de milieu-gerelateerde gezondheids-toestand van omwonenden, om eventuele veranderingen in milieukwaliteit en de lange termijn gezondheidseffecten daarvan te kunnen vaststellen. Met de resultaten van het programma kunnen belanghebbenden van sturingsinformatie worden voorzien bij hun afwegingen over de ontwikkeling van de luchtvaart.

 

Voorgesteld wordt voor het monitoringsysteem een combinatie van gegevensbronnen te gebruiken. De kern van het monitoringsysteem is een specifieke periodieke gegevensverzameling met methoden zoals ook gebruikt in fase II van de GES. Hierbij kan het meest adequaat voor andere determinanten worden gecorrigeerd en is een koppeling van de milieubelasting aan individuele onderzoeksdeelnemers mogelijk. Om de nadelen van een beperkte dekking van het onderzoeksgebied en van de deelname van geselecteerde groepen uit de bevolking te ondervangen, wordt geadviseerd, daar waar mogelijk, gegevens uit bestaande nationale en lokale registraties te betrekken.

  

Auteurs:

Lebret, E,. D.J.M. Houthuijs en C.M.A.G. van Wiechen

 

Rapportnummer:

441520018 (RIVM rapport)

 

Jaar van uitgave:

2001

 

 


Website: Monitoring van de milieubelasting en gezondheid rondom de luchthaven Schiphol. Fase III van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol (PDF)
 
Naar een richtlijn voor locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling met de TRIADE
 

Samenvatting:
Bij ernstige gevallen van (water)bodemverontreiniging kan momenteel met de 'SaneringsUrgentie Systematiek' (SUS) de saneringsurgentie worden bepaald. Locatiespecifieke ecologische risico's zijn een onderdeel van de methodiek. Deze worden berekend op basis van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen, de gevoeligheid van het ecosysteem in relatie tot het bodemgebruik, en de omvang van het verontreinigde oppervlak. Afgelopen jaren is gewerkt aan de ontwikkeling en validatie van de zogenaamde TRIADE voor ecologische risicobeoordeling van bodemverontreiniging. Met de TRIADE worden de risico's geschat op basis van drie verschillende invalshoeken, namelijk 1. de aanwezigheid van verontreiniging (het chemische spoor), 2. de resultaten van bioassays met monsters van de locatie (het toxische spoor), en 3. ecologische veldwaarnemingen (het ecologische spoor). Integratie van de resultaten van deze drie onafhankelijke TRIADE-sporen levert een meervoudige bewijsvoering op voor de risicoschatting ('multiple weight of evidence'). Hierdoor worden de onzekerheden in de risicoschatting sterk gereduceerd. De TRIADE is niet alleen gebaseerd op chemische bodemkwaliteit, en ondervangt hiermee iin van de bezwaren van SUS. In dit rapport wordt de TRIADE uitgelegd, en is een voorlopige richtlijn uitgewerkt voor toepassing van een eenvoudige TRIADE voor veel voorkomende gevallen van bodemverontreiniging, die qua complexiteit en kosten vergelijkbaar is met SUS.


Auteurs:
Rutgers, M., A.J. Schouten, E.M. Dirven-van Breemen, P.F. Otte en M. Mesman

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 711701038


Jaar van uitgave:
2005


Website: Naar een richtlijn voor locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling met de TRIADE (PDF)
 
Natuurbalans 1999
 

Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving.

Samenvatting:
In de Natuurbalans 99 maakt het Natuurplanbureau de balans op van actuele ontwikkelingen in natuur en landschap tegen de achtergrond van het gevoerde beleid.

Het Natuurbeleidsplan uit 1990 heeft veel in gang gezet. Voor de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een samenhangend netwerk van natuurgebieden, zijn er op 36.000 ha beheersovereenkomsten met agrariers afgesloten. Verder zijn er 44.000 ha grond gekocht en overgedragen aan terreinbeherende organisaties als Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. Deze realisatie gaat langzamer dan gepland. Op basis van het huidige tempo zal de EHS niet in 2018 gereed zijn, zoals het beleid beoogt, maar in 2030. De komende jaren zal meer inzet en geld nodig zijn om de verder stijgende grondprijs op te vangen en binnen de EHS gelegen landbouwbedrijven te bewegen tot herplaatsing of bedrijfsbeeindiging.

De natuurkwaliteit in Nederland gaat nog steeds achteruit. De trend blijft dat algemene soorten algemener worden en zeldzame soorten zeldzamer. De kwaliteit van natuur wordt beperkt door de geringe samenhang tussen natuurgebieden en de negatieve be6nvloeding door andere functies, waaronder infrastructuur en landbouw. Ook is er, bijvoorbeeld in het Deltagebied, weinig ruimte voor natuurlijke processen zoals het periodiek overstromen en droogvallen van gebieden. Hier en daar worden wel resultaten van het ingezette beleid zichtbaar. Voorbeelden zijn de succesvolle uitvoering van het Soortbeschermingsplan Lepelaar en het meer natuurlijk beheer van bossen. De afname van met name kwetsbare open landschappen van internationale waarde is zorgwekkend. Toekomstige verstedelijking bedreigt deze gebieden. Onlangs heeft de overheid de nota Belvedere opgesteld, waarin aandacht wordt besteed aan cultuurhistorisch waardevolle landschappen. In het huidige landschapsbeleid, waar cultuurhistorie een onderdeel van is, ontbreekt echter een gecombineerde inzet van planologische bescherming en gerichte investeringen voor het inpassen van nieuwe verstedelijking.

Rapportnummer:
RIVM rapport 408663001


Website: Natuurbalans 1999 (PDF)
 
Natuurbalans 2002
 

Jaarlijkse uitgave van het Planbureau van de Leefomgeving.

Samenvatting:
Om de Ecologische Hoofdstructuur te realiseren is verdere ordening van de groene ruimte noodzakelijk. Dat is de hoofdconclusie uit de Natuurbalans 2002. Natuur heeft grote sociale en economische betekenis. De inwoners van Nederland vinden dat natuurgebieden en gevarieerde landschappen een wezenlijke bijdrage leveren aan hun welzijn. Daarnaast hebben natuur en landschap een substantikle economische waarde, onder andere vanwege de inkomsten uit recreatie in natuurgebieden en de bereidheid van kopers om meer te betalen voor een huis in een groen gebied. Er zijn bovendien steeds meer gegevens die er op wijzen dat de gezondheid van mensen baat heeft bij een groene omgeving.

Op Europees niveau is een lijst van internationaal te beschermen planten- en diersoorten samengesteld. Nederland is hiervoor verplichtingen aangegaan die zijn vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn van de Europese Unie. Om het maatschappelijke draagvlak voor dit soortenbeleid te vergroten en het beleid hanteerbaar te maken moet meer zicht komen op het verband tussen het voorkomen van individuen en populaties van soorten en de ligging van hun leefgebieden. Voor het bereiken van de natuurdoelen is ordening van de groene ruimte nodig om het beoogde samenhangende netwerk van natuurgebieden, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) te realiseren. Het aanbod van aan te kopen grond voor de realisatie van de EHS neemt de laatste drie jaar toe. De nieuwe regering heeft het voornemen het jaarlijkse budget voor de aankoop van grond te halveren en meer particuliere eigenaren in te zetten bij het ontwikkelen en beheren van natuur. Langjarige contracten met deze particulieren kunnen een bijdrage aan de natuurdoelen leveren, maar blijken nauwelijks goedkoper dan aankoop. Ook vergt een samenhangende EHS, indien minder grond voor natuurontwikkeling wordt opgekocht, een goede ruimtelijke bescherming.

Rapportnummer:
RIVM rapport 408663007


Website: Natuurbalans 2002 (PDF)
 
Natuurbalans 2003
 

Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving.

 

Samenvatting:
Belangrijkste conclusies uit de Natuurbalans 2003. Aanpassing van natuur aan klimaatverandering vraagt tijd en ruimte: 1/ Om soorten een kans te geven zich aan klimaatverandering aan te passen, zou het overheidsbeleid zich zowel moeten richten op het verlagen van het tempo van opwarming van de aarde als op het bieden van leefruimte. 2/Soorten waarvan de leefgebieden ongeschikt worden, moeten naar andere gebieden kunnen uitwijken anders sterven de populaties uit. Daarom is het van belang dat er een netwerk van samenhangende natuurgebieden beschikbaar is. Ecologische hoofdstructuur biedt op papier perspectief, maar praktijk blijkt weerbarstig. 1/ Met de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) zou een samenhangend netwerk van natuurgebieden moeten ontstaan. De realisatie ervan ligt echter achter op schema. 2/ Bovendien is de milieukwaliteit in en rond de EHS ongeschikt voor de gewenste natuur.

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 408663008


Website: Natuurbalans 2003 (PDF)
 
Natuurbalans 2000
 

Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving.

Samenvatting:
In de Natuurbalans 2000 wordt de balans voor de natuur in Nederland opgemaakt: Hoe gaat het met de uitvoering van het beleid? (toestandsbeschrijving); Waar liggen problemen en wat zijn de oorzaken? (kritische analyse), en Waar liggen kansen en oplossingen? (kritische evaluatie en conclusies). De Natuurbalans laat duidelijk zien waar samenwerking met andere beleidsvelden (onder meer ruimte en milieu) noodzakelijk is en hoe dit moet worden vormgegeven.

Rapportnummer:
RIVM rapport 408663005


Website: Natuurbalans 2000 (PDF)
 
Natuurbalans 2001
 

Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving.

Samenvatting:
Het natuurbeleid dreigt te verzanden wanneer de rijksoverheid de regie op de uitvoering van het beleid niet strakker in handen neemt, zo constateert het Natuur- planbureau in de Natuurbalans 2001. Het gaat met name om de samenhang tussen natuur-, milieu-, water- en ruimtelijk beleid. Decentrale overheden spelen een steeds belangrijkere rol bij de uitvoering van het natuur- en landschapsbeleid. Dat maakt de behoefte aan regie door de rijksoverheid nog groter. Bovendien bepaalt de Europese Unie steeds sterker het natuurbeleid en rekent de Nederlandse overheid daarop af.

De Natuurbalans 2001 meldt dat het met de kwaliteit van de natuur in Nederland nog steeds slecht gaat. Zo staat ongeveer een kwart van de plantensoorten en tweederde van de dagvlindersoorten op de Rode Lijst. Bijzondere planten- en diersoorten zijn teruggedrongen tot kleine kernen van natuurgebieden. Vermesting, verzuring, verdroging en versnippering staan op veel plaatsen de terugkeer van deze soorten nog steeds in de weg. Het is dan ook niet toevallig dat lokale successen van het natuurbeleid juist zichtbaar zijn in grotere eenheden natuur die op enige afstand liggen van verzurende en vermestende landbouwbedrijven en waar voldoende water van goede kwaliteit aanwezig is. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in het duingebied en sommige beekdalen, zoals Drentsche Aa, Reest en Geuldal. Hier komen allerlei kieskeurige plantensoorten terug; in de duinen gaat het om soorten als borstelbies en waterpunge. In veel natuurgebieden kunnen bijzondere soorten alleen met intensief beheer in stand worden gehouden.

Het is dan ook te verdedigen dat de rijksoverheid inzet op de vorming van de Ecologische Hoofdstructuur. Een positieve ontwikkeling hierbij is dat het natuurbeleid van rijk en provincies niet langer gaat over het aantal hectares Ecologische Hoofdstructuur alleen, maar ook over de kwaliteit van de natuur. Rijk en provincies stellen de natuurdoelen die zij willen realiseren vast.

Overigens dreigen hier conflicten met het natuurbeleid van de Europese Unie, zoals dat in de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn is beschreven. De Europese Unie legt namelijk het accent op behoud van planten- en diersoorten binnen én buiten natuurgebieden, terwijl het Nederlandse beleid het accent legt op de ontwikkeling van nieuwe natuur. Deze verschillen hebben al geleid tot conflicten. Het conflict over de korenwolf in Limburg is een voorbeeld van het accentverschil rond bescherming van soorten buiten natuurgebieden. Conflicten over natuurontwikkeling in Friesland-buitendijks en compensatie van natuur in de Westerschelde zijn beide voorbeelden van het accent dat de Europese Unie legt op behoud van planten- diersoorten versus het Nederlandse accent op ontwikkeling van nieuwe natuur.

Rijk en provincies gebruiken de natuurdoelen om beheerders (zoals Natuurmonumenten en de provinciale Landschappen) af te rekenen op het bereikte natuurresultaat. Het zijn echter niet alleen de terreinbeheerders die invloed hebben op de realisatie van natuurkwaliteit. Ook de provincies hebben veel invloed door middel van het milieu-, water- en ruimtelijk beleid. Waterschappen horen zorg te dragen voor voldoende goed water voor natuurgebieden en gemeenten kunnen via hun bestemmingsplannen de planologische bescherming van natuurgebieden bepalen door beperkingen op te leggen aan onder meer bebouwing en wegenaanleg.

Terwijl rijk en provincies harde afspraken maken met beheerders is het onzeker of provincies, waterschappen en gemeenten bereid zijn om hun water-, milieu- en ruimtelijk beleid af te stemmen op de natuurdoelen die het rijk en de provincies momenteel op kaart zetten. Het rijk laat dit namelijk over aan het krachtenveld op provinciaal en gemeentelijk niveau, terwijl de Nederlandse overheid wel verantwoording aan de Europese Unie schuldig is over de realisatie in de Habitat- en Vogelrichtlijn vastgelegde natuurdoelen.

Buiten de natuurgebieden gaan soorten zoals de grutto en de steenuil hard achteruit en gaat de vervlakking van het landschap door. Ook voor het landschapsbeleid geldt dat het Rijk veel overlaat aan het provinciaal en gemeentelijk niveau. Zo'n 80 procent van de waardevolle landschappen komt in de zogenoemde balansgebieden van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening terecht. Daarvan dreigt voor ongeveer 20 procent een hoge verstedelijkingsdruk. Juist in de directe omgeving van de Randstad, waar de verstedelijkingsdruk het hoogst is, liggen open landschappen die internationaal gezien grote betekenis hebben. Voorbeelden daarvan zijn droogmakerijen en veenweidegebieden. Zolang het Rijk voor het landschap geen heldere prioriteiten stelt, zal de regionale identiteit verder afkalven.

Niet alleen op het land, ook voor het water geldt dat de rijksoverheid internationale verantwoordelijkheden heeft. Dat geldt in het bijzonder voor de kustzone. Hier concentreren zich veel zeldzame vissoorten en andere diersoorten. Juist in de kustzone heeft het kabinet plannen voor de ontwikkeling van een tweede Maasvlakte, een windmolenpark (en wellicht toch een luchthaven in zee). De kabinetsnota 'Natuur voor mensen, mensen voor natuur' kondigt aan dat in 2002 voor de Noordzee concrete ecologische kwaliteitsdoelen zijn geformuleerd. De afstemming van het economisch en veiligheidsbeleid op biodiversiteitsdoelen is een volgende noodzakelijke stap. Of die stap daadwerkelijk wordt gezet, is afhankelijk van de inzet van het ministerie van LNV en andere departementen.

Rapportnummer:
RIVM rapport 408663006


Website: Natuurbalans 2001 (PDF)
 
Natuurbalans 2004
 

Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving.

Samenvatting:
Dier- en plantensoorten profiteren van de verbeterde milieukwaliteit en van de bescherming door Europese regelgeving. Toch nemen de Nederlandse natuur- en landschapskwaliteit nog altijd af. Het kabinet legt meer verantwoordelijkheden neer bij provincies en gemeenten. Vooral van de provincies wordt daarmee een krachtige regie gevraagd.

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 408663009


Website: Natuurbalans 2004 (PDF)
 
Natuurbalans 2005
 

Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving.

Samenvatting:
Met de door het kabinet beoogde omslag van natuurbeheer door aankoop van gronden naar natuurbeheer in particulier en agrarisch eigendom, komt de ruimtelijke samenhang in beheer onder druk te staan. Bovendien zijn er indicaties dat met de huidige regelingen voor agrarisch natuurbeheer, zonder aanvullende inrichtingsmaatregelen, niet de natuurdoelen worden bereikt die terreinbeherende organisaties wel kunnen realiseren.

Niet alleen de biodiversiteit, maar ook het Nederlandse landschap staat onder druk. In een kwart van Nederland wordt de belevingswaarde van het landschap negatief beïnvloed door verstedelijking. In de praktijk blijkt het ruimtelijk beleid nauwelijks bescherming te bieden aan de kwaliteit van het landschap. Bovendien is er minder geld beschikbaar dan nodig is om de hooggespannen verwachtingen van de rijksoverheid waar te maken rond het beleid voor de Nationale Landschappen.

Rapportnummer:
RIVM rapport 408763002


Website: Natuurbalans 2005 (PDF)
 
Natuurbalans 2006
 

Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving.

 

Samenvatting:
Het Nederlandse platteland wordt steeds minder landelijk, minder open en er is meer visuele verstoring. Boerderijen hebben vaker alleen nog een woonbestemming en de landbouw wordt steeds industriëler van karakter. De natuur wordt eenvormiger. Karakteristieke planten- en diersoorten blijven in aantal achteruitgaan, hoewel het natuurareaal is toegenomen en milieucondities in de natuur zijn verbeterd. De EU-doelstelling om de biodiversiteitsafname in 2010 tot stilstand gebracht te hebben kan in Nederland waarschijnlijk niet gehaald worden.

Rapportnummer:
RIVM rapport 500402001


Website: Natuurbalans 2006 (PDF)
 
Natuurbalans 2007
 

Jaarlijkse publicatie van het Planbureau voor de Leefomgeving.

Samenvatting:
Zowel nationaal als internationaal belangrijke landschappen en natuurgebieden in Nederland versnipperen. Het gevoerde beleid is vooralsnog niet in staat om deze versnippering te stoppen. Als gevolg van verspreide bebouwing boeten vooral de Nationale landschappen aan betekenis in.

Rapportnummer:
RIVM rapport 500402005


Website: Natuurbalans 2007 (PDF)
 
Natuurbalans 2008
 

 

Jaarlijkse publicatie van het Planbureau voor de Leefomgeving.

Samenvatting:
Het huidige natuur- en milieubeleid heeft gunstige gevolgen voor de Nederlandse natuur. De oppervlakte aan natuurgebied neemt toe en de milieu- en ruimtecondities verbeteren. Dit is echter nog onvoldoende om de gestelde natuurdoelen tijdig te realiseren. Het natuurbeleid kan aan kracht winnen als het meer gericht wordt op realisatie van doelen tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.

Rapportnummer:

RIVM rapport 500402008


Website: Natuurbalans 2008 (PDF)
 
Natuurbalans 2009
 

Jaarlijkse publicatie van het Planbureau voor de Leefomgeving.

Samenvatting:
De aankoop van nieuwe natuur voor de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) stagneert. Ook de bijdrage aan de EHS door agrariërs en particulieren blijft achter. Bovendien zijn de verbindingen die de EHS-gebieden tot een samenhangend netwerk van natuurgebieden moeten maken, nog niet overal duidelijk begrensd. Toch zijn er kansen om de EHS te realiseren als de overheid prioriteit geeft aan het vergroten en verbinden van natuurgebieden, als ruilgronden beter worden ingezet en als er heldere en werkbare afspraken komen tussen het rijk en de provincies.

Rapportnummer:
RIVM rapport 500402017


Website: Natuurbalans 2009 (PDF)
 
Natuurbalans 1998
 

Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving.

Samenvatting:
In de Natuurbalans 98 maakt het Natuurplanbureau de balans op van actuele ontwikkelingen in natuur en landschap tegen de achtergrond van het gevoerde beleid.

Rapportnummer:
RIVM Rapport 408663004


Website: Natuurbalans 1998 (PDF)
 
Natuurverkenning 2 (2000 - 2030)
 

Samenvatting:
Speerpunt in het natuurbeleid is de realisatie van een ruimtelijk samenhangende Ecologische Hoofdstructuur: een gebied waar rust, ruimte en natuur van enige omvang te vinden zijn. De Ecologische Hoofdstructuur zoals die nu op kaart staat, is na tien jaar beleidsuitwerking ruimtelijk te versnipperd om op nationaal niveau te kunnen spreken van een hoofdstructuur. De maatschappelijk-economische dynamiek is dermate groot dat overal in Nederland, maar met name in de Randstad, natuur en landschap onde druk staan en de ruimtelijke hoofdstructuur vervaagt. Om de beoogde rust, ruimte en biodiversiteit en de bijbehorende milieucondities alsnog te realiseren is een krachtiger ontsnippering nodig en een duidelijke planologische en milieu-bufferzone rond de Ecologische Hoofdstructuur. Om het beleid te vereenvoudigen, zou gebruik gemaakt kunnen worden van het bestaande beleidsconcept in de vorm van de bruto EHS.

Rapportnummer:
RIVM rapport 408764006

Jaar van uitgave:
2002


Website: Natuurverkenning 2 (2000 - 2030) (PDF - let op, groot bestand)
 
Nederlandse broeikasgasemissies 1990-2001 - Nationaal Inventarisatie Rapport 2003
 

Samenvatting:
Dit rapport over de Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is geschreven om te voldoen aan de nationale rapportageverplichtingen in 2003 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UN-FCCC) en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. Dit rapport bevat trendanalyses voor de emissies van broeikasgas in de periode 1990-2001; een analyse van zgn. sleutelbronnen en de onzekerheid in hun emissies; documentatie van gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren; en een overzicht van het kwaliteitssysteem en de verificatie van de emissiecijfers voor de Nederlandse Emissieregistratie. De totale netto CO2-eq.-emissies waren in 2001 4% hoger dan in 1990 (1995 voor de F-gassen). Dit wordt 2%-punt minder na temperatuurcorrectie. In die periode is de emissie van CO2 met 13% toegenomen, terwijl de CH4- en N2O-emissies met resp. 25% en 3% afnamen. Van de zgn. F-gassen, waarvoor 1995 het referentiejaar is, nam de totale emissie met 60% af. De HFK- en PFK-emissies namen met resp. 75% en 20% af, terwijl de SF6 met 7% toenamen in 2001 ten opzichte van 1995.

 

Auteurs:
Olivier, J.G.J., L.J. Brandes, J.A.H.W. Peters, P.W.H.G. Coenen en H.H.J. Vreuls


Rapportnummer:
RIVM rapport 773201007

  

Jaar van uitgave:
2003


Website: Nederlandse broeikasgasemissies. 1990-2001. Nationaal Inventarisatie Rapport 2003 (PDF)
 
Nederlandse broeikasgasemissies 1990-2000 - Nationaal Inventarisatie Rapport 2002
 

Samenvatting:
Een Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is geschreven om te voldoen aan de nationale rapportageverplichtingen in 2002 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UN-FCCC) en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. Er worden trendanalyses gegeven voor de emissies van broeikasgas in de periode 1990-2000; een analyse van zgn. sleutelbronnen en de onzekerheid in hun emissies volgens de zgn. 'Tier 1' methodiek van het IPCC-rapport over Good Practice Guidance; documentatie van gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren; en een overzicht van het kwaliteitssysteem en de verificatie van de emissiecijfers voor de Nederlandse Emissie Registratie. De totale netto CO2-eq.-emissies waren in 2000 3% hoger dan in 1990 (1995 voor de F-gassen). Dit wordt een half procent minder na temperatuurcorrectie. Zonder beleidsmaatregelen zouden de emissies in 2000 ca. 10% hoger zijn geweest. In deze periode zijn de emissies van CO2 en N2O met resp. 9% en 3% gestegen, terwijl de CH4-emissies met 24% daalden. Van de zgn. F-gassen, waarvoor 1995 het referentiejaar is, daalden de HFK- en PFK-emissies met resp. 34% and 18% in 2000 ten opzichte van 1995, terwijl de emissies van SF6 met 9% daalden.

 

 

 

 

Auteurs:
Olivier, J.G.J., L.J. Brandes, J.A.H.W. Peters en P.W.H.G. Coenen

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 773201006

 Jaar van uitgave:
2002


Website: Nederlandse broeikasgasemissies. 1990-2000. Nationaal Inventarisatie Rapport 2002 (PDF)
 
Nederlandse broeikasgasemissies 1990-2002 - Nationaal Inventarisatie Rapport 2004
 

Samenvatting:
Dit rapport over de Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is geschreven om te voldoen aan de nationale rapportageverplichtingen in 2004 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC) en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. Dit rapport bevat trendanalyses voor de emissies van broeikasgas in de periode 1990-2002; een analyse van zgn. sleutelbronnen en de onzekerheid in hun emissies; documentatie van gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren; en een overzicht van het kwaliteitssysteem en de verificatie van de emissiecijfers voor de Nederlandse Emissieregistratie. Afgelopen jaar is de emissietrend door herberekeningen met 2% naar beneden bijgesteld. Volgens de huidige inventarisatie is totale uitstoot van broeikasgassen in 2002 gelijk aan die in het basisjaar 1990 (1995 voor de F-gassen). Na temperatuurcorrectie voor 2002 zijn de emissies 3% hoger. In die periode zijn de emissies van CO2 met 10% toegenomen, terwijl de CH4- en N2O-emissies met resp. 32% en 7% afnamen. Van de zgn. F-gassen, waarvoor 1995 het referentiejaar is, nam de totale emissie met 60% af. De HFK- en PFK-emissies namen met resp. 65% en 35% af, terwijl de SF6 met circa 15% toenamen in 2002 ten opzichte van 1995. Volgend jaar zal opnieuw een bijstelling volgen van mogelijk enkele procenten omdat in het kader van de afronding van het verbeterprogramma voor veel bronnen en stoffen de emissies herberekend zullen worden zodat voldaan wordt aan de eisen van de UNFCCC en het Kyoto Protocol.

  

Auteurs:
Klein Goldewijk, K., J.G.J. Olivier, J.A.H.W. Peters, P.W.H.G. Coenen en H.H.J. Vreuls

 

Rapportnummer:
RIVM Rapport 773201008

 

Jaar van uitgave:
2004

 

 


Website: Nederlandse broeikasgasemissies 1990-2002. Nationaal Inventarisatie Rapport 2004 (PDF)
 
Nederlandse broeikasgasemissies 1990-2003 - Nationaal Inventarisatie Rapport 2005
 

Samenvatting:
Dit jaarlijkse rapport over de Nederlandse inventarisatie van broeikasgasemissies is geschreven om te voldoen aan de rapportageverplichtingen van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC) en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. In 2003 waren de totale broeikasgasemissies (exclusief landgebruik) circa 1% hoger dan in het basisjaar (1990, maar 1995 voor de gefluorideerde gassen) en zonder temperatuurcorrectie. In periode 1990-2003 zijn de emissies van CO2 exclusief landgebruik met 12% toegenomen, terwijl de CH4 en N2O-emissies met respectievelijk 32% en 19% afnamen. Van de zogenaamde F-gassen, waarvoor 1995 het referentiejaar is, nam de totale emissie met circa 60% af. De HFK- en PFK-emissies namen met respectievelijk 75% en 25% af in 2003 ten opzichte van 1995, terwijl de emissies van SF6 met 11% toenamen. De grootste wijzigingen in totale broeikasgasemissies in 2003 ten opzichte van 2002 worden veroorzaakt door toename van 3,1 Mton (1,7%) van de CO2-emissies, vooral van de streefwaardesectoren gebouwde omgeving (5%), industrie/energiesector (0,9%) en transportsector (2,0%), terwijl de emissies in de landbouw daalden (-2,2%). De methaanuitstoot is met 0,7 Mton CO2-eq. (4,2%) afgenomen (met name bij afval en landbouw). Ook de N2O-uitstoot is in 2003 met 0,7 Mton-CO2-eq. afgenomen (3,6%) (met name in landbouw en industriële procesemissies). Dit rapport bevat onder andere trendanalyses voor de emissies van broeikasgassen in de periode 1990-2003 en documentatie van gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren. Ook worden de nationale broeikasgasemissies per streefwaardesector samengevat, zoals gebruikt in het Nederlandse nationale klimaatbeleid. Veel aandacht wordt dit jaar besteed aan de documentatie van de vele uitgevoerde herberekeningen.

  

Auteurs:
Klein Goldewijk, K., J.G.J. Olivier, J.A.H.W. Peters, P.W.H.G. Coenen en H.H.J. Vreuls

 

Rapportnummer:
RIVM Rapport 773201009

Jaar van uitgave:
2005


Website: Nederlandse broeikasgasemissies 1990-2003 - Nationaal Inventarisatie Rapport 2005 (PDF)
 
Neerslagcorrectiemethode voor provinciale nitraatgegevens
 

PRISMA rapport

Samenvatting:
Onderzoek naar de mogelijkheid om de correctiemethode van het RIVM aan te passen voor de provinciale meetnetten (RIVM en Iwaco).

Nitraatconcentraties in bodemvocht en grondwater afkomstig uit 8 provinciale meetnetten zijn verzameld. Gemiddeld zijn er per provincie van vier jaar meetgegevens beschikbaar. Onderzocht is of de neerslagcorrectiemethode, die door het RIVM wordt gebruikt, aangepast kan worden voor de provinciale gegevens. De methode is bruikbaar als hiermee jaarlijkse variaties in gemeten nitraatconcentraties voornamelijk toegeschreven kunnen worden aan natuurlijke omstandigheden.

Auteurs:
Hendriks, B. en L.J.M Boumans

Jaar van uitgave:
2002


Website: Neerslagcorrectiemethode voor provinciale nitraatgegevens (PDF)
 
Nitraatconcentraties in het bovenste grondwater van de zandregio en de invloed van het mestbeleid
 

Samenvatting:
De nitraatconcentratie in het bovenste grondwater van landbouwbedrijven in de zandregio is tussen 1992 en 2009 met meer dan 50% afgenomen. Dit is het gevolg van maatregelen uit het mestbeleid.

De nitraatconcentratie in het bovenste grondwater van landbouwbedrijven in de zandregio is tussen 1992 en 2009 met meer dan 50% afgenomen, van 150 tot 65 milligram per liter. Het stikstofoverschot is in deze periode met 50% afgenomen. Dit is het gevolg van maatregelen uit het mestbeleid, zoals de afname van het gebruik van dierlijke en kunstmest op de weilanden. De nitraatconcentratie is procentueel meer afgenomen dan het stikstofoverschot, waarschijnlijk doordat er minder koeien in de wei staan. Door beweiding met koeien komt er via hun mest meer nitraat in het grondwater dan wanneer deze mest in de stal wordt verzameld en daarna gelijkmatiger over de weide wordt verspreid.

Dit blijkt uit een analyse van de resultaten van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het LMM is een meetnet van het RIVM en het LEI, onderdeel van Wageningen University and Research Centre, dat in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu en het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt uitgevoerd. Met het mestbeleid wordt gestreefd naar een nitraatconcentratie van minder dan 50 milligram per liter in het grondwater.

Een bijkomend resultaat van dit onderzoek is dat de methode is verbeterd om beleidseffecten op de nitraatconcentratie in beeld te brengen voor de Nederlandse en Europese overheid. Dit komt vooral doordat nieuwe inzichten in de methode zijn verwerkt. Behalve het mestbeleid hebben veranderingen in het weer (jaarlijks neerslagoverschot) invloed op de gemiddelde nitraatconcentratie van de zandregio, evenals veranderingen in de jaarlijkse samenstelling van de groep landbouwbedrijven waar is bemonsterd. Hetzelfde geldt voor de jaarlijkse veranderingen van het areaal landbouwgrond per type landbouwbedrijf. Een statistische techniek, Residual Maximum Likelihood, houdt rekening met deze invloeden.

Auteurs:
Boumans, L.J.M. en B. Fraters

Jaar van uitgave:
2011

Rapportnummer:
680717020


Website: Nitraatconcentraties in het bovenste grondwater van de zandregio en de invloed van het mestbeleid (PDF)
 
Nulmeting van het NSL-monitoringsprogramma
 

Volledige titel:
Nulmeting van het NSL-monitoringsprogramma: analyse van de uitgangssituatie van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

Samenvatting:
Om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgezet. In dit programma werken de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om te zorgen dat Nederland overal tijdig aan de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide zal voldoen. Bij het NSL is ook een monitoringsprogramma opgezet om het bereiken van dit doel te waarborgen. Belangrijk onderdeel hiervan is een informatie- en rekensysteem (Monitoringtool) dat met een jaarlijks actualisatieproces het halen van de grenswaarden inzichtelijk moet maken. Voorafgaand aan de start van de monitoring heeft het RIVM een analyse (nulmeting) van dit systeem uitgevoerd.

Vooral vanwege de consistente aanpak heeft de Monitoringtool veel potentie. Desondanks liggen er nog belangrijke verbeterpunten om het daadwerkelijk een robuust systeem te maken. Ondanks de consistente aanpak hebben de berekeningen voor toekomstige jaren een relatief grote onzekerheid, vooral doordat de kwaliteit van de invoergegevens niet bekend is. De kwaliteit van deze locatiespecifieke invoergegevens is primair de verantwoordelijkheid van lokale overheden die deze aanleveren. Thans zijn niet alle relevante onderbouwingen van deze gegevens in het monitoringstraject beschikbaar. Hierdoor is het moeilijk om de kwaliteit van deze gegevens en de daarop gebaseerde rekenresultaten te beoordelen. Met de nu voorliggende combinatie van de Monitoringstool en de bijbehorende invoergegevens kan het RIVM de kwaliteit van de monitoringsresultaten niet objectief vaststellen. Als gevolg hiervan kunnen in de monitoring van het NSL geen conclusies aan deze resultaten worden verbonden. In dit rapport worden aanbevelingen gedaan om de kwaliteit van de invoergegevens te vergroten en daarmee de onzekerheid van het eindresultaat te verkleinen. Bij het opstellen van de eerste Monitoringrapportage wordt in meer detail naar de kwaliteit van de resultaten van de Monitoring worden gekeken.

De Monitoringtool vormt een belangrijke invulling van het Aarhus protocol waarin toegang van burgers tot milieugegevens wordt geregeld. Het rekeninstrument dat de kern vormt van het monitoringsprogramma is onder grote tijdsdruk tot stand gekomen en is deels nog in ontwikkeling. Het RIVM kan daardoor op dit moment alleen concluderen dat de gebruikte rekenmethoden voldoen aan de technisch-inhoudelijk en wettelijke regels om de luchtkwaliteit te berekenen. Het goed werken van het gehele rekeninstrument (inclusief volledige database en website) kon slechts beperkt worden getest. Een algemene uitspraak hierover, en dus ook over de kwaliteit van de monitoringsresultaten, is in deze nulmeting dan ook niet mogelijk.

Auteurs:
Wesseling, J. en R. Beijk

Jaar van uitgave:
2010


Website: Nulmeting van het NSL-monitoringsprogramma (PDF)
 
Onzekerheidsanalyse van de NOx emissie van Nederlandse personenauto's in 1998
 

Samenvatting:
Bij besluitvorming over maatregelen op het gebied van emissie-reductie zijn niet alleen gegevens over emissies nodig maar ook over de onzekerheid daarvan. Dit rapport beschrijft een studie naar het gebruik van gestructureerde expertbevraging bij onzekerheidsanalyse van de NOx-emissies uit personenauto's. Experts van verschillende Nederlandse onderzoeksinstituten zijn bevraagd over prestatiegegevens (emissie-factoren) en volumegegevens (kilometrages). De totale populatie onzekerheid is berekend door het opschalen van de onzekerheid van individuele auto's door Monte Carlo simulaties. In de berekening is expliciet onderscheid gemaakt tussen variabelen die inherent variabel zijn (aleatorische onzekerheid) en variabelen die onzeker zijn vanwege een gebrek aan kennis (epistemische onzekerheid). Het kleinste 95% betrouwbaarheidsinterval werd verkregen voor de TNO-CBS expert (-12% tot +15%), en het grootste interval voor de RIVM expert (-35% tot +51%). De combinatie van experts (decision-makers [DM] genoemd in deze methode) kreeg intervallen van -30% tot +41% (DM voor propagatie) en van -46% tot +81% (DM na aggregatie). Het gebruik van expert bevraging bleek arbeidsintensief en er is veel discussie over het wel of niet combineren van expert antwoorden. Het gebruik van deze methode moet daarom goed onderbouwd worden, en moet zich richten op de meest gevoelige en controversiële parameters.

 

 Auteurs:
Van Oorschot, M.M.P., B.C.P. Kraan, R.M.M. van den Brink, P.H.M. Janssen en R.M. Cooke

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 550002004

 

Jaar van uitgave:
2003


Website: Onzekerheidsanalyse van de NOx emissie van Nederlandse personenauto's in 1998 (PDF)
 
Opties voor een nitraatdieptemeetnet voor het meten van nitraat in de bovenste vijf meter van het grondwater
 

Volledige titel:
Opties voor een nitraatdieptemeetnet voor het meten van nitraat in de bovenste vijf meter van het grondwater. Technische uitwerking motie Koopmans van 22 april 2009

Samenvatting:
Het is mogelijk een eventuele afname van de nitraatconcentratie in de bovenste vijf meter van het grondwater onder landbouw op zand- en dalgronden vast te stellen in een meetnet met 450 tot 1200 grondwaterputten (een nitraatdieptemeetnet). Het precieze aantal putten is afhankelijk van de nauwkeurigheid die het beleid vraagt en van de mogelijkheid om bij voldoende landbouwbedrijven te kunnen meten. Om te kunnen verklaren of de nitraatconcentratie al dan niet met de diepte afneemt, zijn behalve deze basismetingen uitgebreidere metingen nodig bij circa 75 tot 100 van deze putten. Dit blijkt uit onderzoek naar aanleiding van de motie-Koopmans van 22 april 2009. Deze motie verzoekt om, aanvullend op de huidige RIVM-metingen in de bovenste meter van het grondwater, de nitraatconcentraties in de tweede tot en met de vijfde meter te modelleren en te meten.

Auteurs:
Fraters, B., G.L. Velthof, H.P. Broers, P. Groenendijk, L.J.M. Boumans, J.W. Reijs en B.G. van Elzakker

Rapportnummer:
RIVM rapport 680717011

Jaar van uitgave:
2010


Website: Opties voor een nitraatdieptemeetnet voor het meten van nitraat in de bovenste vijf meter van het grondwater (PDF)
 
Opzet monitoring Nederlandse prioritaire stoffen
 

Samenvatting:
Het RIVM zoekt naar manieren om meer zicht te krijgen op emissies en milieuconcentraties van chemische stoffen waarover Nederland niet verplicht is te rapporteren. Het instituut heeft geinventariseerd wat bekend is over de uitstoot van schadelijke chemische stoffen in Nederland en over de concentraties ervan in het milieu. Europese wetgeving verplicht lidstaten om gegevens over emissies van een aantal van deze zogeheten Nederlandse prioritaire stoffen naar lucht, water en bodem beschikbaar te hebben.

Van de meeste stoffen waarvan de emissies moeten worden gerapporteerd, is dat het geval. Van een aantal stoffen waarover het niet verplicht is te rapporteren, zijn de emissies en de concentraties in het milieu niet goed bekend (D-stoffen). Dit betreft vooral stoffen die geen eenduidige bron hebben (diffuse bronnen). Voorbeelden zijn enkele gewasbeschermingsmiddelen en gechloreerde paraffines, die onder andere als vervangers van pcb's in de metaalindustrie worden gebruikt en als weekmakers in plastic.

Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VROM. Aanleiding is de voortgangsrapportage van VROM over het milieubeleid voor Nederlandse prioritaire stoffen, die naar verwachting in 2011 verschijnt. In deze rapportage staat onder andere de status van prioritaire stoffen vermeld (A-stof: de milieuconcentratie is problematisch, B-stof: de milieuconcentratie is minder problematisch, C-stof: de milieuconcentratie is niet problematisch). Het is de bedoeling om in 2011 van alle Nederlandse prioritaire stoffen te weten of de milieuconcentratie problematisch is of niet. Het RIVM geeft in het onderzoek aan wat nodig is om deze kennis te verkrijgen. Zo is meer inzicht nodig in de emissies en milieuconcentraties van D-stoffen. Daarvoor houdt het bedrijfsleven in 2010 een enquete waarin de industrie wordt gevraagd welke D-stoffen substantieel worden uitgestoten. Als daaruit blijkt dat nog onbekende stoffen substantieel worden uitgestoten, kunnen ze eventueel aan het monitoringsprogramma worden toegevoegd.

Auteur:
H.J. van Wijnen

Rapportnummer:
RIVM rapport 607793002

Jaar van uitgave:
2009


Website: Opzet monitoring Nederlandse prioritaire stoffen (PDF)
 
Opzet van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid voor 2004 en daarna
 

Volledige titel:
Opzet van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid voor 2004 en daarna - Uitbreiding van LMM voor onderbouwing van Nederlands beleid en door Europese monitorverplichtingen.

Samenvatting:
De effectiviteit van Nederlandse mestbeleid wordt gemonitord met een speciaal hiervoor ontwikkeld meetprogramma, namelijk het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Per 2004 is de meetinspanning sterk toegenomen om aanvullende beleidsvragen te kunnen beantwoorden alsook om te kunnen voldoen aan Europese meetverplichtingen. Dit rapport beschrijft het meetprogramma voor 2004 en daarna en onderbouwt de bij de inrichting gemaakte keuzen.

Auteurs:

Fraters, B. en L.J.M. Boumans

 

Rapportnummer:
RIVM Rapport 680100001

 

Jaar van uitgave:
2005


Website: De opzet van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid voor 2004 en daarna (PDF)
 
Overzicht van onderzoek naar automatische meetmethoden voor het vaststellen van fijn stof
 

Samenvatting:
Dit rapport beschrijft de 'stand der techniek' van meetmethoden voor het vaststellen van de concentratie zwevende deeltjes in de troposfeer, gericht op de fijne fractie, de zogenaamde PM2,5-fractie. De beschrijving van de prestaties van de meetmethoden volgens de huidige stand van de techniek is gebaseerd op een literatuurstudie en op eigen ervaringen van de deelnemende instituten. De studie richt zich op de vergelijkbaarheid van de automatische meetmethoden met de standaardmethode (referentie). Het is de wens van de betrokken meetinstanties om de ervaringen met PM2,5-meetmethoden te inventariseren en om onderling de meetstrategie af te stemmen. Een zorgvuldige selectie van een PM2,5-meetmethode is daarbij van belang.

Doel van het rapport is de betrokken meetinstanties te ondersteunen met een overzicht van de prestaties van verschillende meetmethoden. Daarnaast draagt het rapport bij tot het proces van normaliseren en/of harmoniseren van meetmethoden.

 

Auteurs:
Van Arkel, F.T., P.J. Kummu, J.P.L. van Loon, A. van der Meulen, M. Severijnen en J.H. Visser

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 680708004

 

Jaar van uitgave:
2007

 


Website: Overzicht van onderzoek naar automatische meetmethoden voor het vaststellen van fijn stof (PDF)
 
PIE-EXCEL Platform voor Integrale Energie- en emissieverkenningen. Technische beschrijving
 

Samenvatting:
Dit rapport beschrijft het informatiesysteem genaamd Platform voor Integrale Energie- en emissieverkenningen (PIE). Omdat het RIVM en ECN een grote overlap hebben op het terrein van energie en emissies werken zij gezamenlijk aan de ontwikkeling en het gebruik van het Platform voor Integrale Energie- en emissieverkenningen. PIE dient bij te dragen aan enerzijds het vastleggen van gezamenlijke informatie en anderzijds aan flexibeler, sneller en inzichtelijker beantwoorden van beleidsvragen. Dit rapport geeft allereerst een beschrijving van de historie en het doel van PIE. Vervolgens wordt het conceptuele model uitgelegd. De toepassing van het conceptuele model in Excel en de daarmee samenhangende rekenregels worden toegelicht en als laatste wordt afgesloten met een beschrijving van de te nemen vervolgstappen.


Auturs:
Gijsen, A., R.A. van den Wijngaart en B.W. Daniels

 

Rapportnummer: 

RIVM Rapport 773001029

 

Jaar van uitgave:
2005


Website: PIE-EXCEL Platform voor Integrale Energie- en emissieverkenningen. Technische beschrijving (PDF)
 
PM10: Validatie en equivalentie 2006
 

Samenvatting:
In het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) wordt op diverse locaties in Nederland fijnstof (PM10) concentraties gemeten. Om de kwaliteit van deze metingen te waarborgen zijn in 2006 een tweetal grote activiteiten ondernomen.

 

Als eerste zijn de procedures, meetconfiguraties en instellingen in het meetnet grondig doorgelicht. De bevindingen van de doorlichting van het meetnet hebben geleid tot een hervalidatie. Het effect van deze hervalidatie op de metingen is gering, maar heeft wel geleid tot een vermindering van de meetonzekerheid.

 

De tweede activiteit is het uitgevoerde equivalentieonderzoek. In dit onderzoek is de gelijkwaardigheid tussen de automatische PM10-metingen in het LML en de door de EU voorgeschreven referentiemethode aangetoond. Aan de hand van dit onderzoek is voor de PM10-metingen een nieuwe en nauwkeurigere kalibratie bepaald zodat niet langer de interim kalibratiefactor van de EU toegepast hoeft te worden. Het aantonen van de equivalentie tussen de automatische meetmethode en de referentiemeetmethode is volledig gebaseerd op de aanbevelingen die de Clean Air For Europe (CAFE) steering group begin 2006 heeft vastgesteld zodat Nederland geheel conform de Europese voorschriften werkt.

 

In het equivalentieonderzoek zijn kalibratiefuncties voor verschillende apparaattypen voor regionale en stedelijke locaties bepaald. De consequentie voor de jaargemiddelden van regionale stations na 2003, die gebruikt zijn voor de Generieke Concentraties voor Nederland (GCN-kaarten) in 2006, is een daling van minder dan 1 mug/m3.

Met de hervalidatie van meetdata en de resultaten van het equivalentieonderzoek zijn onzekerheden in de PM10-metingen verkleind en voldoen de metingen aan de gestelde kwaliteitseisen.

 

Auteurs:
Beijk, R., R. Hoogerbrugge, T.L. Hafkenscheid, F.T. van Arkel, G.C. Stefess, A. van der Meulen, J.P. Wesseling, F.J. Sauter en R.A.W. Albers

 

Rapportnummer:

RIVM rapport 680708001

 

Jaar van uitgave:
2007

 


Website: PM10: Validatie en equivalentie 2006 (PDF)
 
Praktijkmogelijkheden geluidmetingen luchtvaart in het buitengebied van Schiphol
 

Samenvatting:

Correcte herkenning van het type geluid blijkt een noodzakelijke en tevens voldoende voorwaarde te zijn om trends in de geluidbelasting in het buitengebied via doorlopende, onbemande metingen te kunnen monitoren. Een ondergrens voor de te monitoren geluidbelasting ligt tussen de 40 en 45 dB(A) Lden. Dit zijn de conclusies uit een onderzoek waarin metingen zijn verricht aan luchtvaartgeluid op drie lokaties in het buitengebied van luchthaven Schiphol. Het betrof een praktijkstudie naar de mogelijkheden om in het buitengebied bij relatief lage geluidbelasting op grote afstand van de luchthaven de bijdrage van vliegtuigen te monitoren. Op elke meetlocatie zijn gedurende een maand lang doorlopend geluidmetingen verricht met verschillende meetsystemen. Bij elke vliegtuigpassage zijn gelijktijdig het geluidniveau en de passagetijd geregistreerd. Na elke meetperiode zijn de passagetijden vergeleken met berekende passagetijden gebaseerd op de vluchtgegevens. 


Auteurs:

Jabben, J. en C. Potma

 

Rapportnummer: 

RIVM rapport 680001001

 

Jaar van uitgave:

2005


Website: Praktijkmogelijkheden Geluidmetingen Luchtvaart in het buitengebied van Schiphol (PDF)
 
Prioritaire stoffen in het milieu. Analyse van de milieudruk en -kwaliteit in Nederland over de periode 1990 - 2005
 

Samenvatting:
De afgelopen vijftien jaar is de problematiek over de aanwezigheid van prioritaire stoffen in het Nederlandse milieu afgenomen. De milieudruk (emissies van schadelijke stoffen naar lucht, water en bodem) is afgenomen en de milieukwaliteit (concentraties van schadelijke stoffen in het milieu) is verbeterd. Voor een aantal stoffen is het verbetertempo echter te laag om de beleidsdoelstellingen in 2010 te kunnen halen. Prioritaire stoffen zijn milieuschadelijke stoffen, die in het milieubeleid met voorrang worden behandeld en waarvoor beleidsdoelstellingen voor het jaar 2010 zijn opgesteld. Er zijn nog steeds stoffen waarvan de emissies hoger zijn dan het voor 2010 gestelde maximum. Ook zijn concentraties nog vaak hoger dan de gestelde streefwaarden, die vanaf 2010 niet meer mogen worden overschreden. Dit blijkt uit het verloop van berekende milieudruk- en milieukwaliteitsindicatoren. Met dergelijke indicatoren wordt getalsmatig uitgedrukt hoever de huidige milieudruk en milieukwaliteit afwijken van de beleidsdoelstellingen ('distance to target'). Wat betreft emissie blijkt dat vooral voor cadmium het emissieplafond naar lucht, water en bodem wordt overschreden. Voor de zware metalen koper en zink is vaak de uitstoot naar water en bodem te hoog. Concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxiden, koolmonoxide, lood en ozon in lucht liggen vaak boven de streefwaarden. Dit geldt ook voor concentraties van koper in oppervlaktewater. In het grondwater liggen de concentraties van chroom, cadmium en nikkel regelmatig boven de streefwaarden.


Auteurs:
Sterkenburg, A., J. Bakker en H.A. den Hollander

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 607880005

 

Jaar van uitgave:

2006


Website: Prioritaire stoffen in het milieu. Analyse van de milieudruk en -kwaliteit in Nederland over de periode 1990 - 2005 (PDF)
 
Protocol voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwaterlichamen. Een theoretisch concept
 

Samenvatting:
Dit protocol is een voorschrift voor de grondwaterbeheerders in Nederland, waarmee op eenduidige wijze de beoordeling van de chemische toestand van grondwaterlichamen kan worden uitgevoerd. Dit is niet het definitieve protocol. In 2008 zal dit theoretische concept worden getoetst aan de praktijk en de knelpunten die in dit protocol staan aangegeven zullen nader worden onderzocht en uitgewerkt.


Auteurs:
Zijp, M.C., P. van Beelen, L.J.M. Boumans, A.C.M. de Nijs, W. Verweij en S. Wuijts

 

Rapportnummer:

RIVM briefrapport 607300008

 

Jaar van uitgave: 

2008


Website: Protocol voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwaterlichamen. Een theoretisch concept (PDF)
 
Protocollen bioassays
 

Samenvatting:
Het RIVM heeft met de Waterdienst van Rijkswaterstaat (voorheen RIZA: Rijksintituut voorZoetwaterbeheer en Afvalwaterzuivering) een alternatieve methode ontwikkeld om de effecten van giftige stoffen in oppervlaktewater te meten. Met deze methode is eenvoudig te achterhalen of toxische stoffen de oorzaak zijn als ecologische doelen, die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water, niet worden gehaald. Ook is de methode geschikt om bronnen van toxische stoffen te identificeren. Van oudsher worden hiervoor vooral chemische technieken ingezet. Die hebben als nadeel dat ze slechts een klein deel van het grote aantal chemicaliën in oppervlaktewater kunnen meten.

De methode werkt met zogeheten bioassays. Hiervoor wordt de reactie van vijf soorten organismen gepeild op het te onderzoeken water. Bij een reactie kan desgewenst uitgezocht worden welke stof hiervan de oorzaak is. Met de methode is ook het versterkende effect van meerdere stoffen bij elkaar te achterhalen.

Een ander voordeel wordt behaald met een voorbehandeling met hars, waarmee de verontreiniging wordt geconcentreerd. Hierdoor is een korte test even effectief als een langlopende, en dus duurdere test, ook als het water niet acuut toxisch is. Natuurlijke factoren die de toxiciteit van water beïnvloeden zijn bovendien met deze methode uitgeschakeld. Wel blijft de toxiciteit van metalen en een beperkt deel van de organische stoffen buiten beeld.

In het rapport "Toxicity measurements in concentrated water samples. Evaluation and validation.", staat de methode beschreven. De protocollen voor de uitvoering van de bioassays staan in "Protocols belonging to the report Toxicity measurements in concentrated water samples". Dit zijn technische beschrijvingen van hoe deze testen door RIVM worden uitgevoerd. Belangstellenden kunnen nu deze testen op exact dezelfde manier uitvoeren met behulp van dit naslagwerk.

De rapporten:

Toxicity measurements in concentrated water samples. Evaluation and validation
Durand, A.M., S. Rotteveel, M.T. Collombon, E. van der Grinten, J.L. Maas en W. Verweij (2009)

Protocols belonging to the report 'Toxicity measurements in concentrated water samples'
Verweij, W., A.M. Durand, J.L. Maas en E. van der Grinten (2010)

 


 
Prozon en Propart - statistische modellen voor smogprognose
 

Samenvatting:
Het rapport beschrijft 2 statistische smogmodellen die begin jaren negentig zijn ontwikkeld ten behoeve van de dagelijkse smogverwachting die het RIVM uitbrengt. Voor ozon is dit het model Prozon, in gebruik sinds 1992. Het model Propart, dat een verwachting geeft voor PM10 (fijn stof), is in de huidige vorm in gebruik sinds 1998. De centrale rekenregel waarmee een prognose wordt uitgebracht is steeds dezelfde. De concentratie in de toekomst is de concentratie van het heden, vermenigvuldigd met een correctiefactor. Deze correctiefactor wordt afgeleid uit statistieken van luchtkwaliteitsmetingen uit het verleden, waarbij omstandigheden als stationstype, seizoen en de verwachte weersverandering identiek zijn aan de situatie waarvoor de prognose wordt gemaakt. Deze statistische modellen zijn vervaardigd met het softwarepakket Creamod, ontwikkeld op het RIVM (Noordijk 2003). Dit pakket bestaat uit een aantal modules waarmee zeer snel luchtkwaliteitsmodellen kunnen worden gedefinieerd, vervaardigd en getoetst. Een werkend model bestaat uit de rekenstructuur die Creamod en definitiebestand waarin de structuur van het model is vastgelegd en statistiekbestanden waarin de correctiefactoren zijn opgeslagen.

 

Auteur:
H. Noordijk

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 725301012

 

Jaar van uitgave:
2003


Website: Prozon en Propart - statistische modellen voor smogprognose (PDF)
 
Radioactiviteit in het Nederlandse milieu: Resultaten in 2008
 

Samenvatting:
Volgens het Euratom-verdrag uit 1957 moeten alle lidstaten van de Europese Unie jaarlijks de hoeveelheid radioactiviteit in het milieu meten. Ook in 2008 heeft Nederland aan deze verplichting voldaan. Sinds 2000 kent Euratom aanbevelingen om de metingen volgens een bepaald stramien uit te voeren, lidstaten zijn echter niet verplicht deze na te leven. Nederland voldeed in 2008 aan alle Europese aanbevelingen, met uitzondering van de bepaling van strontium-90 in voedsel. De metingen in lucht en omgeving lieten een normaal beeld zien. Polonium-210 in depositie gaf het hoogste niveau sinds 1993 (twee keer zo hoog als normaal). Dit kan deels verklaard worden door Sahara zand dat eind mei in Nederland is gedeponeerd.
In voedsel en melk zijn geen radioactiviteitniveaus aangetroffen boven de Europese limieten voor export en consumptie. Met ingang van 2008 zijn extra gegevens betreffende voedsel toegevoegd aan dit rapport. De additionele gegevens zijn afkomstig van RIKILT - Instituut voor Voedselveiligheid. In het oppervlaktewater is op een aantal locaties voor sommige radioactieve stoffen de streefwaarde overschreden. Deze overschrijdingen zijn echter zodanig dat ze niet schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Streefwaarden zijn waarden die bij voorkeur niet overschreden mogen worden, maar het zijn geen limieten.

Auteur:
G.J. Knetsch

Rapportnummer:
RIVM rapport 610791003

Jaar van uitgave:
2010


Website: Radioactiviteit in het Nederlandse milieu: Resultaten in 2008 (PDF)
 
Resultaten van het Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling over de periode 1992-2004
 

Samenvatting:
Tussen 1992 en 2004 heeft er een afname plaatsgevonden in Nederland van de hoeveelheid verontreinigende stoffen welke uit de buitenlucht via regenwater zijn neergeslagen op bodem, oppervlakte- en grondwater (natte depositie). Dit blijkt uit metingen van het RIVM van de chemische samenstelling van regenwater. Het is van belang om deze ontwikkelingen te volgen, omdat een groot deel van Nederlandse bodem en water te veel met verzurende en stikstofhoudende stoffen wordt belast. De totale depositie van bovengenoemde stoffen op bodem en water ligt namelijk nog steeds boven de doelstelling voor 2010 die hieraan gesteld is in het vierde Nationaal Milieubeleidsplan.

Als het regent komt een deel van de verontreinigende stoffen in de lucht via het regenwater in bodem en water terecht. In Nederland wordt sinds 1978 de chemische samenstelling van het regenwater gemeten middels een nationaal meetnet. Hiermee wordt onder andere de natte depositie van verontreinigende stoffen op bodem, oppervlaktewater en grondwater gemeten. Deze depositie is een significant deel van de totale depositie van verontreinigende stoffen op bodem en water.

Het netwerk van meetpunten is min of meer gelijkmatig over Nederland verspreid en bestond in de onderzochte periode uit 15 vaste meetlocaties.

Auteurs:
Van der Swaluw, E., W.A.H. Asman en R. Hoogerbrugge

Rapportnummer:
RIVM rapport 680704009

Jaar van uitgave:
2010


Website: Resultaten van het Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling over de periode 1992-2004 (PDF)
 
RIVM-MNP bijdrage aan de evaluatie van het EMEP Unified model
 

Samenvatting:
Een aantal aspecten van het EMEP Unified (Euleriaans) model is geëvalueerd door het analyseren van de depositie parameterisatie van verzurende stoffen, de concentratie en depositie van SOx, NOx en NHx in Nederland, de bron-receptor matrices voor Nederland en de geografische verdeling van de emissies. De resultaten zijn vergeleken met die van het OPS model en met metingen. Het EMEP Unified model geeft vrij goede resultaten voor de meeste verzurende stoffen in Nederland. De bron-receptor matrices voor geoxideerd zwavel berekend door het EMEP model komen goed overeen met die van het OPS model, terwijl de overeenkomst voor gereduceerd stikstof redelijk is. Grote afwijkingen worden gevonden tussen de modellen voor de bron-receptor matrices voor geoxideerd stikstof. De lokale depositie bijdrage van Nederlandse emissies aan de depositie in Nederlandse is een factor vier hoger in het OPS model dan in het EMEP model en de depositie bijdragen van België en Duitsland zijn ook veel groter dan in het OPS model. Deze verschillen kunnen herleid worden naar de lagere concentratie en droge depositie en grotere natte depositie van NOx in het EMEP model. Er is een opvallend verschil in de invloed van de Grens- en Begincondities op de bron-receptor matrices van geoxideerd stikstof. Het EMEP suggereert dat ongeveer 30% van de depositie in Nederland is afkomstig van bronnen buiten Europa. De door het EMEP model berekende concentratie van SO2 in Nederland komt goed overeen met metingen, the concentratie van NOx zijn ongeveer 40% lager en de concentraties van NH3 30% tot 40% lager dan de metingen.

 

Auteurs:
Velders, G.J.M., E.S. de Waal, J.A. van Jaarsveld en J.F. de Ruiter

Rapportnummer:
RIVM rapport 500037002

 

Jaar van uitgave:
2003


Website: De RIVM-MNP bijdrage aan de evaluatie van het EMEP Unified model (PDF)
 
Ruimtelijke statistiek voor de optimalisatie van het Landelijk Meetnet Regenwater: van metingen naar natte depositie door kriging
 

Samenvatting:
Dit rapport is het achtergronddocument bij RIVM rapport 723101033 'Een nieuwe meetstrategie voor de metingen van de chemische samenstelling van neerslag in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit', waarin nieuwe meetstrategieën worden voorgesteld voor de metingen van de chemische samenstelling van neerslag in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit. Een van de opties betreft het gebruik van Universal Kriging, een geostatistische techniek voor lineaire interpolatie van metingen. Het huidige rapport beschrijft de mathematische en methodologische onderbouwing van de benadering, aan de hand van de resultaten van een pilotstudie voor natte sulfaat, nitraat en ammonium deposities in Nederland. Bij dit onderzoek vormen de meetresultaten uit het LML en neerslaggegevens uit het KNMI meetnet het basismateriaal. Het onderzoek heeft geleid tot twee afzonderlijke ruimtelijke modellen: 1 voor sulfaat en 1 voor nitraat, waarbij is gebleken dat bij een terugbrengen van 15 tot 8 meetpunten deze ruimtelijke modellen in de toekomst niet meer zijn af te leiden door de te geringe dichtheid van het geoptimaliseerde meetnet. Tevens blijkt dat het huidige meetnet van 15 meetpunten een te geringe dichtheid heeft om het ruimtelijk gedrag van ammonium te kunnen beschrijven met een ruimtelijk lineair interpolatie model dat alleen op meetgegevens is gebaseerd. Het onderzoek heeft verder geresulteerd in een eenvoudige methode om kaarten met elkaar te vergelijken. Deze methode is in een S-PLUS programma geïmplementeerd zodat op basis van de twee afgeleide modellen direct de invloed op de natte deposities voor sulfaat en nitraat van een nieuwe meetnetconfiguratie van het LML kan worden doorgerekend.


Auteurs:
Dekkers, A.L.M. en E. Buijsman

 

Rapportnummer:
RIVM Rapport 723101047

 

Jaar van uitgave:
2001

 


Website: Ruimtelijke statistiek voor de optimalisatie van het Landelijk Meetnet Regenwater: van metingen naar natte depositie door kriging (PDF)
 
Stroomlijnen van gegevens en informatie grondwater
 

Samenvatting:
Op dit moment ontbreekt het aan een gewaarborgd instrumentarium om de Europese Unie adequaat te rapporten over de kwalitatieve en kwantitatieve toestand van het grondwater in Nederland. Het is dringend noodzakelijk het transport en de opslag van de beschikbare gegevens te stroomlijnen en op elkaar af te stemmen.

 

De Kaderrichtlijn Water verplicht de Europese lidstaten regelmatig te rapporteren over de kwalitatieve en kwantitatieve toestand van hun grond- en oppervlaktewater. Het RIVM heeft uitgezocht hoe de beschikbare grondwatergegevens uit de diverse bestanden het beste kunnen worden samengevoegd om aan deze verplichting te kunnen voldoen. Dit gebeurde in opdracht van het ministerie van VROM. Nederland beschikt over goede meetnetten die bij diverse beheerders, zoals provincies en gemeenten, zijn ondergebracht. Het is belangrijk dat het gehele systeem van meten, gegevens opslaan en rapporteren doeltreffend werkt. Onderzocht is welke gegevens- en informatiestromen er in dit systeem bestaan en in hoeverre die gestroomlijnd moeten worden.

Een groot deel van de grondwatergegevens is opgeslagen in de DINO-databank, die wordt beheerd door TNO. Deze databank wordt regelmatig aangevuld met recente gegevens, die de meeste provincies en gemeenten aanleveren. Met de overige provincies en gemeenten worden contacten gelegd om alle grondwatergegevens in DINO op te slaan. De archivering, de kwaliteitsborging en uitlevering van de gegevens in DINO zijn gewaarborgd conform ISO 9002. Daarnaast is het belangrijk een route en procedures op te stellen voor de vertaalslag van de gegevens uit de DINO-databank naar het KRW-portaal, dat de monitorresultaten in een kaart weergeeft.


Auteur:
R. Lieste

Rapportnummer: 

RIVM Rapport 607300004

 

Jaar van uitgave:
2007


Website: Stroomlijnen van gegevens en informatie grondwater (PDF)
 
Toets van STONE versie 2.0: samenvatting en belangrijkste resultaten
 

Samenvatting:

STONE is het landsdekkende nutriëntenemissiemodel dat ontwikkeld is voor het evalueren van effecten van milieu- en landbouwbeleid op de belasting met stikstof en fosfaat van het grond- en oppervlaktewater. De commissie Spiertz vroeg in 2000 om validatie van dit model. Om deze reden werd de STONE toets opgezet, waarvan in dit rapport een samenvatting gegeven wordt.

 

Doel van het project was het vergelijken van STONE resultaten met monitoring gegevens op verschillende schaalniveaus. Op de veldschaal werden conclusies getrokken over processen en temporele dynamiek. Op de nationale schaal werden ruimtelijke patronen en frequentiediagrammen beoordeeld. Het bleek dat STONE de mediane nitraatconcentratie in het grondwater onderschatte. De correlatie tussen de metingen en de modelresultaten bleken op de nationale schaal echter goed te zijn. Op de regionale schaal waren er wel grote verschillen, waardoor de inzetbaar van STONE voor regionale vraagstukken beperkt is.

 

Het gebrek aan overeenstemming tussen de gemeten en gesimuleerde nitraatconcentraties op regionale schaal dient onderzocht te worden in een aanvullend toetsingstraject. STONE berekende hogere concentraties in het drainwater dan gemeten in het oppervlaktewater. Dit wordt vermoedelijk veroorzaakt door retentie en verliezen in het oppervlaktewater. Deze hypothese kan getoetst worden door STONE te koppelen aan een oppervlaktewater model.


Auteurs:
Tiktak, A., A.H.W. Beusen, L.J.M. Boumans, P. Groenedijk, B.J. de Haan, R. Portielje, C.G.J. Schotten en J. Wolf

 

Rapportnummer: 

RIVM rapport 718201007

 

Jaar van uitgave:
2003


Website: Toets van STONE versie 2.0: samenvatting en belangrijkste resultaten (PDF)
 
Toxic pressure in the Dutch delta measured with bioassays. Trends over the years 2000 - 2009
 

Nederlandse titel: Toxische druk in de Nederlandse Delta, gemeten met bioassays. Trends over de jaren 2000-2009

Samenvatting:
Van 2000 tot en met 2009 zijn met behulp van een additionele methode, zogeheten bioassays, de effecten van giftige stoffen op het ecosysteem in Nederlands oppervlaktewater gemeten (toxische druk). Deze methode geeft meer informatie over de effecten van onbekende chemische stoffen in water dan de traditionele chemische technieken. Deze meten namelijk slechts een klein deel van het grote aantal chemicaliën dat in oppervlaktewater zit. Bovendien geven ze geen inzicht in het eventuele versterkende effect dat meerdere stoffen bij elkaar kunnen hebben. De bioassays bevestigen het vermoeden dat het ecosysteem in water het afgelopen decennium steeds minder door chemische stoffen is aangetast, waardoor de waterkwaliteit is verbeterd.

Auteurs:
Struijs, J., E. van der Grinten en T. Aldenberg

Rapportnummer:
RIVM Rapport 607013013

Jaar van uitgave:
2010


Website: Toxic pressure in the Dutch delta measured with bioassays. Trends over the years 2000 - 2009 (PDF)
 
TrendMeetnet Verzuring. Monsternemingen in 2007/2008
 

Samenvatting:
Vanaf december 2007 tot in maart 2008 is op 75 locaties van het TrendMeetnet Verzuring (TMV) de kwaliteit van het bovenste grondwater onderzocht. Met deze gegevens worden in Nederlandse natuurgebieden op zandgrond (bos/heide) de effecten van verzuring op het grondwater in kaart gebracht. Op 5% van de onderzochte locaties is de EU norm voor nitraat (50 milligram per liter) overschreden. De concentratie van cadmium, chroom, nikkel en zink lag op respectievelijk 63, 45, 23 en 87% van de onderzochte locaties boven de streefwaarde. Op een enkele locatie is ook de interventiewaarde voor cadmium, nikkel en zink overschreden.

Auteurs:
Masselink, N.J en A. de Goffau

Rapportnummer:
RIVM rapport 680720001

Jaar van uitgave:
2010


Website: TrendMeetnet Verzuring. Monsternemingen in 2007/2008 (PDF)
 
Typeringen van bodemecosystemen in Nederland met tien referenties voor biologische bodemkwaliteit
 

Samenvatting:

Het RIVM heeft samen met diverse kennisinstituten tien veel voorkomende bodems gekarakteriseerd waar de bodemkwaliteit op orde is, zogeheten referenties voor biologische bodemkwaliteit (RBB). Hier bestonden nog geen criteria voor. Deze referenties kunnen als streefbeeld gebruikt worden om bodemgebruik duurzamer te maken.

 

De referenties zijn bepaald voor tien combinaties van bodemgebruik (onder andere melkveehouderij, akkerbouw en heide) en bodemtype (zand, veen, klei en loss). Dit is representatief voor driekwart van het bodemoppervlak van Nederland.

 

Diverse onderzoekers, onder andere op het gebied van bodemecologie, microbiologie en agrarisch bodembeheer, hebben locaties geselecteerd die volgens hun maatstaven een relatief goede bodemkwaliteit hebben. Hiervoor maakten zij gebruik van de gegevens van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) over de toestand van de bodem. Op basis van deze informatie zijn de tien referenties bepaald. Het rapport bevat ook gemiddelde waarden van de biologische, chemische en fysische eigenschappen van de bodem, evenals een maat voor de spreiding van de gegevens. De mate waarin bodemorganismen voorkomen en hun diversiteit zijn ook beschreven.


Auteurs:
Rutgers, M., C. Mulder, A.J. Schouten, J. Bloem, J.J. Bogte, A.M. Breure, L. Brussaard, R.G.M. de Goede, J.H. Faber, G.A.J.M. Jagers op Akkerhuis, H. Keidel, G.W. Korthals, F.W. Smeding, C. ten Berg en N. van Eekeren

 

Rapportnummer: 

RIVM rapport 607604008

 

Jaar van uitgave:
2007


Website: Typeringen van bodemecosystemen in Nederland met tien referenties voor biologische bodemkwaliteit
 
Typeringen van bodemecosystemen. Duurzaam bodemgebruik met referenties voor biologische bodemkwaliteit
 

Samenvatting:

Twee kwaliteitsreferenties voor een 'gezonde' bodem werden opgesteld, als onderdeel van het raamwerk voor duurzaam bodemgebruik, namelijk voor melkveehouderij op zandgrond en voor halfnatuurlijk grasland op zandgrond. De referenties bestaan uit getalswaarden voor chemische, fysische, biologische en andersoortige parameters. Een stapsgewijze aanpak werd ontwikkeld voor de selectie van de krachtigste indicatoren waarmee de gezondheid van de bodem bepaald kan worden. De aanpak gaat uit van de 'ecologische diensten' van de bodem zoals bodemvruchtbaarheid, weerstand tegen stress en flexibiliteit, de bodem als buffer en reactor, en biodiversiteit. De kwaliteitsreferenties en de stapsgewijze aanpak zijn in opdracht van het Ministerie van VROM opgesteld. De gegevens zijn afkomstig uit het databestand van de langjarige monitoring met de Bodembiologische indicator (Bobi) in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). De achtergrond is het veranderende bodembeleid: niet meer de bescherming van de bodem staat centraal, maar de duurzaamheid van het bodemgebruik.


Auteurs:
Rutgers, M., Ch. Mulder, A.J. Schouten, J.J. Bogte, A.M. Breure, J. Bloem, G.A.J.M. Jagers op Akkerhuis, J.H. Faber, N. van Eekeren, F.W. Smeding, H. Keidel, R.G.M. de Goede en L. Brussaard

  

Rapportnummer:

RIVM rapport 607604007

 

Jaar van uitgave: 

2005


Website: Typeringen van bodemecosystemen. Duurzaam bodemgebruik met referenties voor biologische bodemkwaliteit (PDF)
 
Validatie van het model DIVOCOS
 

Samenvatting:
Het model DIVOCOS (DIspersion of VOlatile COntaminantS) is een bruikbaar model om een adequaat meetprogramma op te stellen waarmee tijdens een bodemsanering de luchtkwaliteit in de omgeving kan worden bewaakt. Dit concluderen we aan de hand van een validatiestudie van dit model. Met het model DIVOCOS kunnen de concentraties aan vluchtige stoffen in de lucht worden berekend die vrijkomen tijdens een bodemsanering.

 

Het belangrijkste doel van deze berekeningen is te bepalen of en in welke vorm er tijdens de sanering metingen moeten worden uitgevoerd om de luchtkwaliteit in de omgeving te bewaken en eventuele blootstellingsrisico's van omwonenden te beperken. In deze studie hebben we gegevens verzameld van 10 bodemsaneringen om het model te valideren en de bruikbaarheid te beoordelen. We hebben het onderzoek gericht op acht stoffen, die verreweg het meest voorkomen in bodem- en grondwaterverontreinigingen in Nederland.

 

De resultaten geven aan dat het model voor de meeste van deze stoffen concentraties in de leefomgeving berekent die redelijk goed overeenkomen met de gemeten waarden. Voor twee stoffen, beide met een relatief hoge dampdruk, vallen de berekende concentraties systematisch hoger uit dan de gemeten waarden. 

Auteurs:

Mennen, M.G.  en M.H. Broekman

 

Rapportnummer:
RIVM rapport 609021031

 

Jaar van uitgave:
2005


Website: Validatie van het model DIVOCOS (PDF)
 
Van inzicht naar doorzicht. Beleidsmonitor water, thema chemische kwaliteit van oppervlaktewater
 

Samenvatting:
De chemische kwaliteit van het Nederlandse oppervlaktewater is sterk verbeterd ten opzichte van enkele decennia terug, maar niet alle doelen worden gehaald. Gevoelige functies als 'natuur', 'recreatie' en 'drinkwater' ondervinden nog steeds problemen. Puntbronnen van verontreiniging zijn ver gesaneerd, diffuse bronnen hebben nu de overhand. Voor de aanpak hiervan is samenwerking nodig. De belangrijkste redenen waarom de doelen niet worden gehaald zijn: onvoldoende afstemming tussen het beleid voor landbouw, milieu en water, weinig politieke prioriteit, nalevering van verontreiniging die is opgehoopt in de land- en waterbodem en aanvoer vanuit het buitenland. De Europese Kaderrichtlijn Water vereist dat het water een goede kwaliteit heeft binnen tien tot hooguit twintig jaar. Een les uit het verleden is dat hiervoor een goede afstemming tussen de verschillende beleidsterreinen en met het buitenland nodig is, evenals samenwerking tussen uitvoerende partijen. Dit is inhoudelijk en bestuurlijk een grote opgave. 


Auteurs:
Witmer, M.C.H., J. de Jonge en E.L. Enserink

  

Rapportnummer:
RIVM rapport 500799004

 

Jaar van uitgave:
2004


Website: Van inzicht naar doorzicht, Beleidsmonitor water, thema chemische kwaliteit van oppervlaktewater (PDF)
 
Verblijftijd in de bodem en grondwateraanvulling van water uit het Landelijk (LMG) en de Provinciale Meetnetten Grondwaterkwaliteit (PMG)
 

Samenvatting:
De reistijden van het grondwater in de bodem (in jaren) zijn onmisbaar bij het verklaren van verontreinigingen in het grondwater voor milieukundige overzichten. Gegevens over de concentraties aan tritium (3H) in monsters water uit 332 filters van 187 putten van provinciale meetnetten grondwaterkwaliteit (PMG) in Drenthe, Gelderland, Zuid-Holland en Brabant zijn gebruikt voor bepalingen van reistijden in de bodem en de aanvulling van het grondwater in de zandgebieden. Eerdere resultaten uit het landelijk meetnet zijn nogmaals samengevat. De filters van PMG liggen op een diepte van minder dan 10 tot ongeveer 25 m onder maaiveld.

De tritiumconcentraties leverden waarden op voor de reistijden in de bodem en de aanvulling door de neerslag van het bemonsterde grondwater. In 45 monsters was de 3H concentratie lager dan de detectiegrens. In bepaalde gebieden komt oppervlakkige afvoer van de neerslag voor, zodat de aanvulling van het grondwater kleiner is dan het neerslagoverschot. De belangrijkste oorzaak is het voorkomen van slecht doorlatende lagen in de ondiepe bodem. De analyse van de PMG gegevens toont echter aan dat nog andere factoren een rol kunnen spelen zoals het geringe doorlaatvermogen van de ondergrond in Oost-Gelderland en in delen van De Peel en het voorkomen van Holocene kleilagen in het kustgebied. Het betreft relatief kleine gebieden, zodat de eerder gegeven beelden van de reistijden en de aanvulling van het grondwater gebaseerd op het landelijk meetnet in het algemeen geldig blijven.

Auteur:
C.R. Meinardi

Rapportnummer:
RIVM rapport 714801027

Jaar van uitgave:
2003


Website: Verblijftijd in de bodem en grondwateraanvulling van water uit het Landelijk (LMG) en de Provinciale Meetnetten Grondwaterkwaliteit (PMG) (PDF)
 
Vergelijking schattingen slaapverstoringsonderzoek Schiphol met referentiegetal PKB Schiphol
 

Samenvatting:
In de Planologische Kernbeslissing (PKB) Schiphol en Omgeving van 1994 zijn door het kabinet een aantal doelstellingen geformuleerd voor de verbetering van de woon- en leefkwaliteit in de omgeving van de luchthaven. Voor slaapverstoring door luchtvaartgeluid was een forse verbetering vanaf de ingebruikname van de vijfde baan beoogd ten opzichte van de situatie in 1990. Voor deze verbetering was in de PKB een referentiegetal van 39.000 "slaapverstoorden" binnen de 20 dB(A) contour opgenomen, hetgeen overeenkomt met een afname van circa 70% van het aantal slaapverstoorden ten opzichte van 1990. Recent slaapverstoringsonderzoek rond Schiphol uitgevoerd door TNO in samenwerking met het RIVM heeft nieuwe informatie opgeleverd over het verband tussen luchtvaartgeluid en slaapverstoring (RIVM rapport 441520019).

 

Dit rapport maakt een vergelijking tussen de schattingen van het aantal slaapverstoorden volgens de methodiek van het slaapverstoringsonderzoek rondom Schiphol en de methodiek zoals beschreven in de PKB Schiphol. De resultaten laten zien dat zowel met gebruikmaking van het verband tussen vliegtuiggeluid en slaapverstoring uit de PKB als met die uit het slaapverstoringsonderzoek het aantal slaapverstoorden - na ingebruikname van de vijfde baan - voldoet aan de in de PKB beoogde verbetering ten opzichte van 1990. Binnen de grenswaarden van vliegtuiggeluid bedraagt het aantal slaapverstoorden in de 20 dB(A) nachtcontour volgens de PKB-systematiek 18.800. Volgens de systematiek van het slaapverstoringsonderzoek komt dit op 28.400 uit. Het merendeel van dit verschil (8.000 van de 9.600) is toe te schrijven aan verschillen in actualiteit en de gebiedsdekkendheid van de woning- en bevolkingsbestanden waarmee de aantallen slaapverstoorden worden bepaald. De rest (1600) kan worden verklaard uit het verschil in het verband tussen vliegtuiggeluid en slaapverstoring. Uit het rapport blijkt daarnaast dat, wanneer naar een groter gebied dan de 20 dB(A) contour gekeken wordt, de afname van het aantal slaapverstoorden minder is dan binnen die contour. Het aantal slaapverstoorden binnen de grenswaarden van vliegtuiggeluid daalt ten opzichte van 1990, maar neemt weer toe ten opzichte van 2001, zowel binnen de 20 dB(A) nachtcontour als binnen het grotere gebied.

 

Auteurs:
Houthuijs, D.J.M., C.M.A.G. van Wiechen, C.B. Ameling en O.R.P. Breugelmans

  

Rapportnummer:

RIVM rapport 441520020

Jaar van uitgave:
2003


Website: Vergelijking schattingen slaapverstoringsonderzoek Schiphol met referentiegetal PKB Schiphol (PDF)
 
Voorstellen voor trendberekening in grondwater voor de KRW
 

Samenvatting:
In de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is bepaald dat concentraties van verontreinigende stoffen in grondwater niet mogen stijgen. In de tien jaar dat deze richtlijn van kracht is, bleek dat het in de praktijk erg lastig is om een dergelijke stijging vast te stellen. Het RIVM geeft daarom, in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) praktische adviezen om de belangrijkste problemen hierbij aan te pakken. Uitgangspunt daarbij is de beschikbare informatie op de juiste manier te gebruiken en te interpreteren in plaats van meer te gaan meten. Zo kan met weinig gegevens toch al een (soms voorzichtige) conclusie worden getrokken.

Auteurs:
Verweij, W.H.J., M.C. Zijp, L.J.M. Boumans en H.F.R. Reijnders

Rapportnummer:
607402002

Jaar van uitgave:
2011


Website: Voorstellen voor trendberekening in grondwater voor de KRW
 
Waarde van het Landelijk Meetnet Flora - Milieu- en Natuurkwaliteit voor de bepaling van de Natuurwaarde van de Flora
 

Samenvatting:
In dit rapport is de bruikbaarheid geanalyseerd van het Landelijk Meetnet Flora - Milieu- en Natuurkwaliteit voor de berekening van de kwaliteit van de flora ten behoeve van de Natuurwaarde graadmeter. Veranderingen in de plantensamenstelling kunnen worden bepaald doordat presentie van afzonderlijke plantensoorten in de huidige situatie kunnen worden vergeleken met een historische referentiesituatie. Informatie over presentie zijn met het Landelijk Meetnet Flora beschikbaar gekomen. In dit rapport worden bestaande referenties gecombineerd die zijn gebaseerd op de botanische kwaliteit en de oppervlakte. Hierbij is gebruik gemaakt van referentiestudies van Alterra (Smits en Schaminee, 2002) en FLORON (Groen en Van der Meijden, 1997).

 

Met de resultaten in dit rapport kan de kwaliteit van de flora worden berekend. Het doel van dit rapport is te onderzoeken of het LMF-M&N bruikbaar is voor de graadmeter Natuurwaarde. De benodigde keuzes die aan de voorgestelde methode ten grondslag liggen worden onderbouwd en expliciet vast gelegd, zodat de Natuurwaarde voor de flora reproduceerbaar en verbeterbaar is. De aanleiding voor dit rapport is het vrijkomen van data uit een nieuw meetnet, het Landelijk Meetnet Flora - Milieu- en Natuurkwaliteit. De berekening van de Natuurwaarde met de LMF-M&N gegevens, is op een aantal punten, een verbetering voor de bepaling van de Natuurwaardegraadmeter.

 

Voor de kwaliteitsberekening van de flora voor de Tweede Natuurverkenning (2002) werd nog gebruik gemaakt van presentie/ absentie data per kilometerhok uit FLORBase. Het LMF-M&N, daarentegen meet niet alleen de presentie/ absentie van soorten, maar meet ook de abundantie per soort. Het gebruik van deze abundanties kan de Natuurwaardegraadmeter veel gevoeliger maken. Ontwikkelingen in de kwaliteit van de Nederlandse natuur kunnen veel frequenter worden gesignaleerd omdat een meetronde van het LMF-M&N maar vier jaar duurt. In dit rapport zijn keuzes beschreven aangaande de gebiedsindeling, soortselectie de bepaling van de berekeningswijze van de kwaliteit van de flora. Het gaat om: De bepaling hoe gegevens uit het LMF-M&N en de referentie kunnen worden gebruikt voor de berekening voor de Natuurwaarde. de bepaling van de precieze berekeningsgrondslag/ methode voor het kwaliteitsaspect van de Natuurwaarde. De selectie van kenmerkende soorten voor de bepaling van de florakwaliteit. Aanbevelingen voor verbeteringen van de soortselectie en het referentie-onderzoek.

 

Alle resultaten overziend lijkt het dat voor de volgende strata een betrouwbare Natuurwaarde berekend kan worden: hogere zandgrond halfnatuurlijk grasland, laagveen halfnatuurlijk grasland, laagveen moeras en rivierengebied halfnatuurlijk grasland. De rest van de strata hebben onvoldoende gescoord op een of meerdere overwegingen.

 

Auteurs:
Knegt, B. de, M.P. van Veen en M.L.P. Esbroek

 

Rapportnummer: 

RIVM rapport 718101002

 

Jaar van uitgave:
2003


Website: Waarde van het Landelijk Meetnet Flora - Milieu- en Natuurkwaliteit voor de bepaling van de Natuurwaarde van de Flora (PDF)
Email:bart.deknegt@pbl.nl
 
Gebiedsgericht grondwaterbeheer in de praktijk
 

Volledige titel: Gebiedsgericht grondwaterbeheer in de praktijk: Gebiedsafbakening, aanpak bronzone, procedure voor monitoring, (risicogebaseerde) toetsing grondwaterkwaliteit, kosten-batenanalyse.

Samenvatting:
Het beheer van grondwater richt zich op beoordeling van de grondwaterkwaliteit en zonodig sanering. Dit beheer van grondwater is in Nederland vaak om technische, praktische en financiële redenen niet haalbaar. Als uitweg is de tendens gaande om verontreinigingen niet meer individueel maar op grotere schaal, in samenhang te beoordelen en aan te pakken. Dit zogeheten gebiedsgericht grondwaterbeheer maakt het beheer ervan efficiënter en daamee vaak goedkoper. Door de gebiedsgerichte aanpak kan de grondwater kwaliteit binnen het gedefinieerde gebied namelijk minder streng worden beoordeeld ten opzichte van individuele grondwaterverontreinigingen. Bovendien is de organisatie van het beheer van een cluster verontreinigingen eenvoudiger dan voor elke verontreiniging apart op verschillende tijdstippen.

Gebiedsgericht grondwaterbeheer vraagt om een aanpak die is toegespitst op de specifieke omstandigheden van de locatie. Om dit Gebiedsgeicht grondwaterbeheer te faciliteren heeft het RIVM op verzoek van het ministerie van I&M enkele algemene praktische aanwijzingen opgesteld. Deze zijn gericht op een methode om de afbakening van het beheersgebied te bepalen en om de bronzone voor grondwaterverontreiniging aan te pakken. Ook is een procedure opgesteld om het grondwater te monitoren, wordt de beoordeling van de grondwaterkwaliteit belicht en een kosten-batenanalyse besproken. Deze informatie vult bestaande relevante documenten aan, zoals de Handreiking gebiedsgericht grondwaterbeheer uit 2010 die eveneens in opdracht van I&M werd opgesteld.

Auteurs:
Swartjes, F.A., J. Valstar, M.C. Zijp, P. van Beelen, P.F. Otte

Rapportnummer:
607050010

Jaar van uitgave:
2011


Website: Gebiedsgericht grondwaterbeheer in de praktijk
 
Emissie van zeven zware metalen naar landbouwgrond
 

Samenvatting:
In dit rapport wordt een voorstel gedaan voor de monitoring van de emissies van Cd, Zn, Cu, Pb, Hg, Ni en Cr naar de landbouwbodem. Dit voorstel moet bijdragen aan een betere afstemming van de rapportages in de Emissiemonitor en de Milieubalans. Uit onderzoek blijkt dat de beschikbare databronnen niet meer voldoen om de metaalemissies met de huidige methoden te berekenen. Vooral de metaalaanvoer met dierlijke mest geeft problemen. Voor het bepalen van de Ni-, Cr-, Hg- en Pbaanvoer (Milieubalans) wordt uitgegaan van voornamelijk schattingen. Voor het bepalen van de Cu-, Zn- en Cd-aanvoer (Emissiemonitor) wordt hoofdzakelijk uitgegaan van gehalten in veevoer. Enerzijds zijn deze gegevens onvolledig, anderzijds zijn de gegevens onnauwkeurig.

In dit rapport wordt een alternatieve methode voorgesteld waarmee, met de huidige beschikbare gegevens, de emissies van alle metalen berekend kunnen worden. Tevens worden enkele aanbevelingen gedaan om de kwaliteit van de beschikbare gegevens verder te verbeteren. Verder worden in dit rapport aanbevelingen gedaan voor het vergaren van de noodzakelijke basisgegevens voor het gebruik van een meer geavanceerde methode. Daartoe moeten voor het berekenen van de aanvoer met dierlijke mest metaalgehalten in krachtvoer gemeten worden. Voor het berekenen van de aanvoer  met de jacht moeten gegevens over de gebruikte hagelsoorten verzameld worden.

Auteurs:
Delahaye, R. (CBS), P.K.N. Fong (CBS), M.M. van Eerdt (CBS), K.W. van der Hoek (RIVM), C.S.M. Olsthoorn (CBS)

Jaar van uitgave:
2003


Website: Emissie van zeven zware metalen naar landbouwgrond (PDF)
 
Synthesis report CS02: Monitoring and profiling with CESAR Observatory
 

Nederlandse titel:
Syntheserapport van project CS02: Monitoring en Profilering met het CESAR Observatorium

Abstract:
The climate system is complex. Although it is understood in qualitative terms, there are still many physical processes of which the impact on climate change is far from quantifiable. A well-known example of such a process is the interaction between cloud and rainfall formation, aerosols, radiation and the land-atmosphere energy exchange. It is one of the sources of large uncertainty in climate models. The uncertainty is largely due to a lack of reliable observations of the processes. In this project we aimed at the development of the required observation methodologies to study these processes. We explored and enhanced the capacity of CESAR Observatory, in the heart of the Netherlands, in order to make it one of the leading atmospheric observatories in the world. In particular, we defined: 

  • New technologies: advanced radar and lidar systems were developed and installed at the observatory
  • Quality improving enhancements of the observatory
  • New retrieval techniques to derive the relevant atmospheric parameters
  • The data base infrastructure of CESAR Observatory
  • Evaluation studies to assess the quality and consistency of the observations
  • Studies to assess the potential impact of new observations on model output

The major outcome of the project is the observatory itself. We now have a world class observatory for atmospheric studies. It is one of the few stations worldwide with which one can study climate relevant processes in the context of atmospheric chemistry, physics, hydrology and meteorology. The CESAR database is easily accessible to the scientific community. CESAR Observatory is one of the major research facilities in The Netherlands. It serves the atmospheric community at seven research institutes and agencies: the universities of Delft, Wageningen and Utrecht, ECN Energy Research Centre of The Netherlands, TNO Applied Scientific Research, RIVM National Institute for Public Health and the Environment, and KNMI Royal Netherlands Meteorological Institute. Furthermore, the observatory is also supported by the European Space Agency. The observatory is hosted and operated by the KNMI. CESAR data are used for a wide range of applications, e.g.:

  • Monitoring of long term tendencies of climate variables in the atmosphere
  • Validation of space-borne observations and retrieval products
  • Studies of atmospheric and land surface processes for climate and air quality modelling
  • Evaluation of weather, climate and air quality models
  • The development, implementation and assessment of new measurement techniques
  • Training of young scientists at post-doc, PhD and master level

An important advantage of the site is its location: both close to the sea and to some of the major European industrial and populated areas. This location leads to a large variety of air mass types at the site. Other advantages are its long term dataset of advanced parameters, the coinciding location of the different instruments, and the area around the site, which is flat and has suffered only minor landscape developments since 1972.

Auteurs:
Russchenberg et al.

Jaar van uitgave:
2011

Rapportnummer:
KVR 044/11


Website: Synthesis report CS02: Monitoring and profiling with CESAR Observatory (te downloaden als PDF)
 
Monitoringsrapportage NSL: Stand van zaken 2011
 

Volledige titel:
Monitoringsrapportage NSL: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit 2011

Samenvatting:
Om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgezet. In dit programma werken de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om te zorgen dat Nederland overal tijdig aan de grenswaarden voor fijn stof (PM10, 2011) en stikstofdioxide (NO2, 2015) zal voldoen. Om de voortgang van het verbeterprogramma te volgen en tijdig bij te kunnen sturen is aan het NSL een monitoringprogramma verbonden. Centraal onderdeel daarvan is een rekeninstrument waarvoor de overheden de brongegevens aanleveren. De daaruit volgende rekenresultaten zijn door het Bureau Monitoring (samenwerkingsverband RIVM en kenniscentrum InfoMil) samengevoegd in voorliggende voortgangsrapportage.

De berekeningen voor 2011 en 2015 laten zien dat de gemiddelde concentratie stikstofdioxide en fijn stof waar de bevolking aan wordt blootgesteld, tussen 2010 en 2015 daalt. Voor een groot deel van Nederland liggen de berekende concentraties PM10 en NO2 onder de Europese grenswaarden. Op een beperkt aantal locaties zijn nog overschrijdingen berekend. De fijn stof-overschrijdingen komen hoofdzakelijk voor bij veehouderijen en in een aantal industriële gebieden. Ook voor stikstofdioxide worden voor 2015 nog overschrijdingen berekend, deze komen hoofdzakelijk voor op locaties met veel verkeer en worden mede veroorzaakt door tegenvallende emissiecijfers. 

Met behulp van de in 2011 beschikbaar gekomen Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) is geconstateerd dat in de Monitoringstool niet op alle voor blootstelling relevante locaties wordt getoetst. Hierdoor, en door de focus op overschrijdingslocaties, wordt het aantal overschrijdingen onderschat. Verder zijn dit jaar in een extra aanpassingsronde toetslocaties uit de berekeningen weggehaald zonder dat deze zijn vervangen door andere toetspunten. Dit leidt waarschijnlijk tot een verdere onderschatting van het aantal overschrijdingen in de huidige resultaten. In dit rapport worden aanbevelingen gedaan om bovenstaande punten in een volgende monitoringronde te verhelpen. 

In de resultaten liggen de berekende concentraties voor 2011 en 2015 op veel locaties net onder de grenswaarde. Het aantal overschrijdingen zal dan ook snel toenemen indien zich een geringe tegenvaller in de vooronderstellingen voordoet. Daarnaast blijkt dat er nog aanzienlijke onzekerheden bestaan in de huidige resultaten. Een beter inzicht in de onzekerheden en een volledig beeld van alle potentiële overschrijdingen kan de bruikbaarheid van de monitoringsresultaten voor sturing van het NSL verbeteren.

Auteurs:
Beijk, R., J. Wesseling, A. van Alphen, D. Mooibroek, L. Nguyen, H. Groot Wassink en C. Verbeek

Rapportnummer:
RIVM rapport 680712003

Jaar van uitgave:
2011


Website: Monitoringsrapportage NSL: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit 2011
Websites (4)
 
Nationale Atlas Volksgezondheid
 

De Nationale Atlas Volksgezondheid brengt de Nederlandse volksgezondheid en zorg in kaart. De Atlas toont de geografische spreiding van allerlei aspecten omtrent gezondheid, factoren die de gezondheid beïnvloeden, zorg en preventie.

Organisatie: RIVM


Website: Nationale Atlas Volksgezondheid
Email:atlas@rivm.nl
 
Milieuportaal
 

Het Milieuportaal biedt toegang tot de milieu-informatie van het RIVM. Het richt zich op professionals, zoals beleidsmedewerkers van het ministerie van I&M, van regionale en lokale overheden, GGD-medewerkers en medewerkers van de brandweer.

Organisatie: RIVM


Website: Milieuportaal
Email:birgit.loos@rivm.nl
 
Milieuatlas Regio Stedendriehoek
 

De digitale milieuatlas is een instrument waarmee inwoners van de regio Stedendriehoek digitaal informatie kunnen ophalen over milieuonderwerpen in hun eigen leefomgeving. Tot op postcodeniveau kan men bekijken wat de stand van zaken is met betrekking tot bijvoorbeeld:

  • de kwaliteit van de bodem
  • duurzaamheid
  • geluid
  • grondwater
  • natuur en ecologische verbindingszones
  • ruimtelijke ontwikkelingen

Organisatie: de regio Stedendriehoek bestaat uit de gemeente Apeldoorn, Epe, Zutphen, Deventer, Bummen, Voorst en Lochem. De online Milieuatlas is een initiatief van de gemeenten in de Stedendriehoek in samenwerking met de provincie Gelderland, het ministerie van Infrastructuur & Milieu en het RIVM.


Website: Milieuatlas Regio Stedendriehoek
 
Atlas Leefomgeving
 

De Atlas Leefomgeving is een website waarmee burgers en professionals informatie over hun leefomgeving op het gebied van milieu en gezondheid op kunnen vragen. De site optimaliseert alle beschikbare overheidsinformatie door deze toegankelijk, begrijpelijk en vergelijkbaar te presenteren met behulp van innovatieve ICT.

Met de Atlas voldoet Nederland in één keer aan toekomstige Europese ontwikkelingen, zoals INSPIRE en SEIS.

De eerste release van de Atlas Leefomgeving staat gepland voor eind 2010. Op de website Atlas Info is alle informatie over het programma Atlas Leefomgeving te vinden.

Organisatie: ministerie van I&M in samenwerking met een aantal gemeenten, provincies, een milieudienst en diverse landelijke instellingen. De ambitie is dat in 2020 alle gemeenten en provincies aangesloten zijn. Verder zijn diverse belangenorganisaties en kennisinstituten bij het project betrokken, zoals het RIVM, PBL, IPO, VNG, EL&I, Alterra, GGD'en, Astmafonds, Vereniging Eigen Huis.


Website: Atlas Info
Email:redactie@portaal.atlasinfo.nl
 

Deskundigen

Monitoring deskundigen (4)
 
Loos, Birgit
 

Organisatie:
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Functie/taken:

  • Lid IVM (Interprovinciaal Vakberaad Monitoring)
  • Lid Begeleidingsgroep DGM-bod

Postadres:
Postbus 1
3721 BA  Bilthoven

Telefoon: 030 - 274 9111


Website: RIVM
Email:birgit.loos@rivm.nl
 
Beijk, Ruben
 

Organisatie:
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Functie/taken:

  • Binnen de organisatie contactpersoon voor monitoringdeskundigen

Postadres:
Postbus 1
3720 BA  Bilthoven

Telefoon: 030 - 274 24 25
Fax: 030 - 228 75 31


Website: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Email:Ruben.Beijk@rivm.nl
 
Drukker, Derko
 

Organisatie:
RIVM

  • Contactpersoon Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit

Adres:
Antonie van Leeuwenhoeklaan 9
3721 MA Bilthoven

Telefoon: 030 - 27 434 18


Website: http://www.lml.rivm.nl
Email:derko.drukker@rivm.nl
 
Klijne, Arnoud de
 

Organisatie:
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Functie/taken:

  • Lid Werkgroep Interprovinciaal Vakberaad Monitoring (IVM)

Telefoon: 030 - 274 9111


Website: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Email:arnoud.de.klijne@rivm.nl
 

Systemen en projecten

Monitoringactiviteiten (14)
 
Monitoring luchtkwaliteit in Nederland op basis van Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit
  Nummer: 2


Verzamelde informatie
Luchtverontreiniging in regio, stad en straat.

Concentraties van de volgende stoffen:

-gasvormige componenten (koolmonoxide, ozon, stikstofmonoxide, stikstofdioxiode, andere stikstofoxiden, zwaveldioxide, amoniak, vluchtige organische stoffen, zeer vluchtig organische stoffen, koolstofdioxide, methaan en fluoriden);
-deeltjesgebonden en deeltjesvormige componenten (fijne stof en zwarte rook);
-verzurende stoffen (ammonium, nitraat, sulfaat);
-metalen (arseen, cadmium, calcium, lood en zink);
-persistent organische componenten.


Wijze van gegevensverzameling
Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit; 55 meetlocaties (35 regionale, 7 stad en 13 straat locaties) met automatische analysers en actieve/passieve monsternemers. Vanuit automatische analysers wordt ieder uur informatie over concentraties doorgezonden naar het RIVM. Deze gegevens worden weer automatisch op internet en teletekst geplaatst. De monsters worden in een laboratorium geanalyseerd.


Instanties die gegevens aanleveren


Databeheer
RIVM - MEV-LVM


Openbaarheid
Ja, o.a. via website Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit


 
Berekening luchtkwaliteit langs wegen in steden en percentage van de bevolking dat wordt blootgesteld aan normoverschrijdingen
  Nummer: 5


Verzamelde informatie
Concentraties van stikstofdioxide (NOx), fijn stof (PM10), benzo(a)pyreen, benzeen (C6H6) en koolmonoxide (CO) langs wegen in steden.


Wijze van gegevensverzameling
Gegevens van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit en modelberekeningen.


Instanties die gegevens aanleveren
RIVM


Databeheer
MNP


Openbaarheid
Ja, o.a. via Milieucompendium en Milieubalans


 
Monitoring bodemkwaliteit in Nederland (Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit, LMB)
  Nummer: 69


Verzamelde informatie
Gehalte aan zware metalen, bestrijdingsmiddelen en vermestende stoffen in bodem en/of grondwater van verschillende grondgebruik/grondsoort-combinaties.

Gemeten parameters:
-bodemfysische parameters (pH, lutum, organische stof en CEC)
-zware metalen (koper, lood, cadmium, zink, chroom, kwik en nikkel)
-Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK)
-Organochloorbestrijdingsmiddelen (o.a. lindaan, drins, DDT)
-Triazines
-Fosfaatverzadiging

-profielbeschrijvingen van de bovenste 120 cm van de bodem.

In de grondwatermonsters worden de volgende parameters geanalyseerd:
-pH en DOC
-zware metalen (cadmium, lood, chroom, koper, zink en arseen)
-overige metalen (Al, Ba, Ca, Fe, Mg, Mn, Na en Sr)
-vermestende stoffen (tot. P, ortho-P, NH4, Cl, NO3, SO4 en K)

De 10 verschillende grondgebruik/grondsoort combinaties zijn:
1) melkveehouderij lage veedichtheid-zand
2) melkveehouderij hoge veedichtheid-zand
3) melkveehouderij met intensieve veehouderijtak-zand
4) bos-zand/strooisel
5) akkerbouw-zand
6) melkveehouderij-veen
7) akkerbouw-zeeklei
8) melkveehouderij-rivierklei
9) melkveehouderij-zeeklei
10) tuinbouw/bollenteelt-klei/zand


Wijze van gegevensverzameling
Het meetnet bevat 200 meetlocaties: 20 locaties per grondgebruik/grondsooort-combinatie. In een periode van 5 jaar worden elk jaar de locaties van 2 grondgebruik/grondsooort-combinaties bemonsterd. De 1e meetronde was van 1993-1997, de 2e van 1999-2003. In 2005 is een nieuwe meetronde van start gegaan. Momenteel wordt elke locatie c.q. elke grondgebruik/grondsoort-combinatie dus iedere 6 jaar opnieuw bemonsterd.
Bemonsteringsstrategie:
-toplaag van de bodem (0-10 cm-mv), 320 steken per lokatie, verdeeld over 4 mengmonsters
-diepere bodemlaag (30-50 cm-mv), 16 steken per lokatie, verdeeld over 1 mengmonster
-bovenste grondwater, 16 putten per lokatie, verdeeld over 4 mengmonsters
Het beheer en de organisatie van het meetnet is in handen van het RIVM. De bemonstering en laboratorium-analyses wordt door TNO-NITG uitgevoerd. LEI levert gegevens over betreffende landbouwbedrijven.


Instanties die gegevens aanleveren
LEI


Databeheer
RIVM-MEV-LVM


Openbaarheid
Ja, op te vragen en via publicaties. Er wordt aan gewerkt om de gegevens via internet beschikbaar te stellen.


 
Monitoring bodemsanering - landelijk
  Nummer: 70


Verzamelde informatie
Gegevens over voortgang bodemsaneringsopreatie.
Tevens gegevens t.b.v. van Landsdekkend Beeld, (de 'werkvoorraad' nog te saneren en te onderzoeken lokaties).

-Lokatie
-Fase
-Inzet van middelen
-Inzet van financiële en juridische instrumentenie

Zie voor meer informatie Bijlagen 8 en 9 bij Regeling Financiële Bepalingen Bodemsanering en Handboek Monitoring Bodemsanering


Wijze van gegevensverzameling
Provincies en aangewezen gemeenten leveren gegevens aan aan RIVM, meestal in Globis-format.


Instanties die gegevens aanleveren
Gemeenten
Provincies


Databeheer
RIVM


Openbaarheid
Ja


 
4-Jaarlijks wetenschappelijk RIVM-onderzoek over de ontwikkeling naar de kwaliteit van het milieu over een periode van tenminste 10 jaar
  Nummer: 72


Verzamelde informatie
Informatie over de (mogelijke) ontwikkeling van het milieu de komende 30 jaar.


Wijze van gegevensverzameling
Op basis van diverse monitoringsactiviteiten.


Instanties die gegevens aanleveren


Databeheer
MNP-RIVM


Openbaarheid
Ja


 
Monitoring externe veiligheidsrisico's rond Schiphol
  Nummer: 76


Verzamelde informatie
-Voor verschillende niveaus van het plaatsgebonden risico:
>Blootgestelde woningen;
>Blootgestelde inwoners;
>Blootgesteld oppervlak.

-Groepsrisico.


Wijze van gegevensverzameling
Het RIVM laat het NLR (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium) jaarlijks de risico's rondom Schiphol berekenen.


Instanties die gegevens aanleveren
NLR


Databeheer
RIVM


Openbaarheid
Ja


 
In kaart brengen externe veiligheidsrisico's VR-plichtige bedrijven (landsdekkend beeld meest risicovolle bedrijven)
  Nummer: 77


Verzamelde informatie
De risico's rondom VR-plichtige bedrijven (bedrijven die in het kader van het Besluit Risico's Zware Ongevallen verplicht zijn een Veiligheidsrapport op te stellen).
Per VR-plichtig bedrijf:
-het groepsrisico (kans op een ramp van bepaalde omvang);
-de overschrijding van de norm voor het groepsrisico;
-het individuele plaatsgebonden risico (de kans die een denkbeeldig persoon loopt om op een bepaalde plek dodelijk te worden getroffen).


Wijze van gegevensverzameling
Op basis van gegevens uit de veiligheidsrapporten van VR-plichtige bedrijven. De meest risicovolle bedrijven zijn in het kader van het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO) verplicht een veiligheidsrapport op te stellen. Het bevoegd gezag moet dit veiligheidsrapport goedkeuren. Het bevoegd gezag stuurt de goedgekeurde veiligheidsrapporten naar het Ministerie van VROM, die deze weer doorstuurt naar het RIVM. Het RIVM maakt op basis van deze gegevens een landsdekkend beeld.


Instanties die gegevens aanleveren
Ministerie van VROM
Bedrijven
Bevoegd gezag


Databeheer
RIVM


Openbaarheid
Ja, o.a. via MilieuCompendium: -Risicobronnen in Nederland; -Groepsrisico: de kans op een ramp in Nederland per bedrijfstak; -Overschrijding norm groepsrisico in Nederland; -Het plaatsgebonden risico in Nederland.


 
Inventarisatie risicovolle bedrijven die onder BRZO vallen (Besluit Risico's Zware Ongevallen)
  Nummer: 79


Verzamelde informatie
Gegevens van bedrijven die onder BRZO vallen (Besluit Risico's Zware Ongevallen). Onderscheid tussen PBZO- en VR-bedrijven: PBZO-bedrijven zijn bedrijven die over een veiligheidsbeheerssysteem moeten beschikken (Preventie Beleid Zware Ongevallen), VR-bedrijven tevens over een door het bevoegd gezag goedgekeurd veiligheidsrapport (VR).


Wijze van gegevensverzameling
Het RIVM laat jaarlijks door adviesbureau AVIV een inventarisatie uitvoeren naar BRZO-bedrijven. AVIV doet hiervoor navraag bij bevoegde gezagen. Deze gegevens worden gecontroleerd bij het Ministerie van SZW en de VROM-Inspectie aan de hand van bij hen bekende gegevens over risicovolle bedrijven.


Instanties die gegevens aanleveren


Databeheer
RIVM


Openbaarheid
Ja


 
Monitoring (niet continu) van de effecten van verzuring op grondwaterkwaliteit (TrendMeetnet Verzuring, TMV)
  Nummer: 82


Verzamelde informatie
Kwaliteit van het ondiepe grondwater van bos- en heidevelden op zandgronden. (Dit vanwege het ontbreken van directe effecten van bemesting). De volgende parameters worden gemeten:
-pH, EC en DOC;
-Vermestende stoffen (totaal-fosfaat, anorganisch fosfaat, ammonium, chloride, nitraat, sulfaat en kalium);
-Zware metalen (cadmium, lood, chroom, koper, zink en arseen);
-Overige metalen (aluminium, barium, calcium, magnesium, mangaan, natrium en strontium).



Wijze van gegevensverzameling
Geen continue monitoring (in 2005 geen meting). In een bepaalde periode worden op de circa 155 vaste locaties, verspreid over bos- en heidevelden op zandgronden, meerdere grondwatermonsters genomen van het ondiepe grondwater (tot 6 meter). Tien grondwatermonsters worden genomen over de langst mogelijke transsect van de lokatie en samengevoegd tot een mengmonster. De onderlinge afstanden van de monsterpunten bedraagt 50 meter. Indien de transsect niet lang genoeg is wordt bemonsterd langs de middelloodlijn op de transsect. De afstand tot de rand van het natuurgebied bedraagt minimaal 20 m. Het RIVM (MEV-LVM) voert de monsternames en analyses uit.


Instanties die gegevens aanleveren


Databeheer
RIVM-LVM


Openbaarheid
De gegevens van de laatste meetronde zijn onder voorwaarden gratis beschikbaar. Er wordt over nagedacht om de gegevens op internet te publiceren.


 
Monitoring bodemsanering - gemeenten
  Nummer: 109


Verzamelde informatie
Gegevens over voortgang bodemsaneringsoperatie. Tevens gegevens t.b.v. van Landsdekkend Beeld, (de 'werkvoorraad' nog te saneren en te onderzoeken lokaties).
-Lokatie;
-Fase;
-Inzet van middelen;
-Inzet van financiële en juridische instrumentenie.
Zie voor meer informatie Bijlagen 8 en 9 bij Regeling Financiële Bepalingen Bodemsanering en Handboek Monitoring Bodemsanering.


Wijze van gegevensverzameling



Instanties die gegevens aanleveren


Databeheer
Wbb-gemeenten en RIVM


Openbaarheid
Ja.


 
Berekening externe veiligheidsrisico's per bron/bedrijfstak in Nederland
 

Nummer: 78


Verzamelde informatie
Groepsrisico en plaatsgebonden risico per bron/bedrijfstak in Nederland.
Groepsrisico = de kans op een ramp van een bepaalde omvang.
Plaatsgebonden risico = de kans van een denkbeeldig persoon op een bepaalde plek om dodelijk slachtoffer te worden van een ramp.
Bronnen/bedrijfstakken:
-LPG-tankstations;
-Luchthavens (zie ook nr. 76);
-Spoorwegemplacementen;
-VR-plichtige bedrijven (zie ook nr. 77);
-Transport over weg;
-Transport over spoor (alleen plaatsgebonden risiso);
-Gasleidingen (alleen plaatsgebonden risico). Groepsrisico wordt per bron en voor alle bronnen samen (totaal) berekend;

Bij het plaatsgebonden risico worden voor verschillende risiconiveaus/risiconormen het aantal blootgestelde personen en het ruimtebeslag berekend.


Wijze van gegevensverzameling
De berekening van de risico's PER BRON/BEDRIJFSTAK betreft de som van afzonderlijke groepsrisico's en plaatsgebonden risico's, welke al berekend worden door verschillende instanties:
-Risico's van de bron 'VR-plichtige bedrijven': op basis van gegevens over groepsrisico's en plaatsgebonden risico's in veiligheidsrapporten van individuele bedrijven;
-Risico's van de bron 'Schiphol' en 'luchthavens': op basis van berekeningen van het NLR (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium);
-Risico's van de bron 'transport van gevaarlijke goederen over de weg': op basis van gegevens van AVV (zie nr. 88)
-Risico's van de bron 'transport van gevaarlijke goederen over het spoor': op basis van gegevens van AVV (zie nr. 89);
-Risico's van de bron 'LPG-tankstations': op basis van gegevens het Ministerie van VROM;
-Gasleidingen; op basis van gegevens van de Gasunie;
-Spoorwegemplacementen; .


Instanties die gegevens aanleveren
AVV
NLR
Bedrijven


Databeheer
RIVM


Openbaarheid
Openbaar via Compendium van de Leefomgeving

..


 
Monitoring bodemsanering - provincies
 

Nummer: 71


Verzamelde informatie
Gegevens over voortgang bodemsaneringsoperatie. Tevens gegevens t.b.v. van Landsdekkend Beeld, (de 'werkvoorraad' nog te saneren en te onderzoeken lokaties).

-Lokatie;
-Fase;
-Inzet van middelen;
-Inzet van financiële en juridische instrumentenie.

Zie voor meer informatie Bijlagen 8 en 9 bij Regeling Financiële Bepalingen Bodemsanering en Handboek Monitoring Bodemsanering.


Wijze van gegevensverzameling



Instanties die gegevens aanleveren


Databeheer
Provincies en RIVM


Openbaarheid
Ja


 
Monitoring grondwaterkwaliteit in Nederland (Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit, LMG)
 

Nummer: 80


Verzamelde informatie
Grondwaterkwaliteit op 10 en 25 meter diepte.
De volgende parameters worden gemeten:
-pH, temperatuur, redox-potentiaal, geleidbaarheid, O2 en HCO3;
-Macrocomponenten NO3, SO4, NH4, K, Na, Mg, Ca, Fe, Mn, totaal-P en DOC;
-Anorganische microcomponenten Ba, Sr, Zn, Al, Cd, Ni, Cr, Cu, As en Pb.


Wijze van gegevensverzameling
Het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit bevat zo'n 400 vaste meetpunten. Afhankelijk van kwetsbaarheid van het grondwater op het meetpunt, is de bemonsteringsfrequentie tussen de 1 en 4 jaar. TNO-NITG voert de monsternames en laboratoriumanalyses uit.


Instanties die gegevens aanleveren


Databeheer
RIVM-MEV-LMV


Openbaarheid
Ja, via het online te raadplegen geografisch informatie systeem van het RIVM


 
Registratie risicosituaties met betrekking tot gevaarlijke stoffen (Risioregister) (in voorbereiding)
 

Nummer: 75


Verzamelde informatie
Gegevens over risicovolle bedrijven en transportroutes. Het gaat om de volgende bedrijven:
1) Risicovolle bedrijven. Dit zijn bedrijven met een plaatsgebonden risico van hoger dan 10-6 buiten het hek.
2) Bedrijven die onder het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 vallen. Formeel zijn dit bedrijven die aangewezen op grond van de Europese Seveso II richtlijn. Deze richtlijn is in Nederland verankerd in het Brzo 1999
3) Lpg-tankstations. Opslagplaatsen met meer dan 10 ton chemicaliën of meer dan 2500 kilo bestrijdingsmiddelen (bestrijdingsmiddelen die onder gevaarlijke stoffen vallen)
4) Ammoniak koelinstallaties. Ammoniak is een giftig gas. Het gaat om ammoniakkoelinstallaties met meer dan 100 kilo ammoniak. Installaties met een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar moeten aan het register worden gemeld als ze meer dan 200 kilo ammoniak bevatten;
5) Spoorwegemplacementen voor het rangeren van treinwagons met gevaarlijke stoffen;
6) Bedrijven die vuurwerk opslaan en samenstellen;
7) Bedrijven (inrichtingen) die onder artikel 15b van de Kernenergiewet vallen (bijvoorbeeld kerncentrales);
8) Civiel gebruik van explosieven (het gaat hierbij om explosieven voor het opblazen van bijvoorbeeld gebouwen en voor bodemonderzoek);
9) AVR-bedrijven. Dit zijn bedrijven die arbeidsveiligheidsrapport (AVR) moeten indienen. AVR’s zijn gestoeld op het Besluit risico’s zware ongevallen 1999.
10) Opslag van explosieven en munitie van het ministerie van Defensie
11) Propaantanks met een inhoud groter dan 5000 liter
12) Bedrijven die onder de Mijnwet vallen. Onder deze wet vallen bovengrondse installaties voor de winning van olie, gas, mergel en kolen, zoals bijvoorbeeld olieplatforms en mergelgrotten.

De volgende gegevens worden in het register opgenomen:
1) De geografische ligging van het bedrijf en de transportroute
2) De bedrijfsnaam, het adres en de kadastrale aanduiding (de gegevens waarmee het perceel in het register van het Kadaster is geregistreerd);
3) De naam waaronder de transportroute bekend is (bijvoorbeeld de A1 of de N245) en de beheerder ervan (bijvoorbeeld gemeenten voor wegen binnen een gemeente en Rijkswaterstaat voor provinciale en rijkswegen);
4) Gegevens over de externe veiligheid, waaronder de ligging van de 10-5 en 10-6 per jaar contour van het plaatsgebonden risico;
5) De grootte van het groepsrisico;
6) Aanduiding van risico’s voor het milieu aan de hand van veiligheidscontouren op de kaart;
7) De aard van het risico (welke gevaarlijke stoffen worden gebruikt);
8) De datum waarop de gegevens in het register het laatst zijn gewijzigd;


Wijze van gegevensverzameling
Bevoegd gezag inzake milieuvergunningen (gemeente, provincie of rijk) zijn verplicht risicosituaties te melden. Zie "Informatie die verzameld wordt".


Instanties die gegevens aanleveren
Bevoegd gezag
Ministerie van Economische Zaken


Databeheer
Database Risicoregistratie RIVM


Openbaarheid
Gedeeltelijk. Een gedeelte van de gegevens zal t.z.t. via internet te raadplegen zijn. Zie ook de risicokaarten van provincies en de risiscoatlassen van het Ministerie van I&M.


Monitoringsystemen en -projecten (12)
 
Derogatiemeetnet
 

Het Derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet omvat driehonderd graslandbedrijven.

Het Derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM).

Organisatie: RIVM en LEI


Website: Derogatieonderzoek (website RIVM)
Email:info@rivm.nl
 
Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG)
 

Het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG) is opgebouwd uit circa 350 vaste meetpunten verspreid over geheel Nederland. Binnen het LMG wordt de kwaliteit van het ondiep en middeldiep grondwater in Nederland vastgesteld. Daartoe kan op elk meetpunt via een permanent geïnstalleerde grondwaterput het grondwater opgepompt worden vanaf een diepte van circa 10, 15 en 25 meter onder maaiveld.

Het LMG wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband tussen TNO en het RIVM.


Website: Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit
Email:dico.fraters@rivm.nl
 
Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML)
 

In het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) wordt de luchtkwaliteit op leefniveau bepaald. Dit gebeurt op basis van metingen van tientallen stoffen. De website presenteert een overzicht van de gemeten stoffen, de circa 60 locaties en een gedeelte van de resultaten, zoals actuele meetwaarden en overschrijdingen.

Het LML wordt uitgevoerd door het RIVM.


Website: Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit
Email:daan.swart@rivm.nl
 
Nationaal Meetnet Radioactiviteit
 

Het Nationaal Meetnet Radioactiviteit (NMR) is een waarschuwingsmeetnet voor stralingsongevallen. Bij een ongeval geeft het NMR inzicht in omvang en verloop van de radioactieve besmetting. Onder normale omstandigheden levert het NMR informatie over de natuurlijke achtergrondstraling.

Het NMR wordt uitgevoerd door het RIVM.


Website: Nationaal Meetnet Radioactiviteit
Email:info@rivm.nl
 
Geluidmeetnet
 

Aan de hand van metingen en modellen brengt het RIVM de ontwikkeling van de geluidbelasting in Nederland en de daarmee gepaard gaande effecten in kaart. De metingen zijn gericht op geluidbronnen die de belangrijkste verstoring veroorzaken van de natuurlijke geluidkwaliteit in de leefomgeving en die uit enquêtes als de grootste hinder- en klachtenveroorzakers komen. Het betreft omgevingsgeluid afkomstig van wegverkeer, railverkeer en luchtvaart.

Organisatie: RIVM


Website: Geluidmeetnet
Email:jan.jabben@rivm.nl
 
Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB)
 

In het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) wordt bij landbouwbedrijven en in bosgebieden de bodemkwaliteit in kaart gebracht. Het meetnet is zodanig ingericht dat relaties gelegd kunnen worden met belastinggegevens vanuit diffuse bronnen zoals de landbouw en depositie.

 

Het LMB wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van I&M.


Website: Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB)
Email:manon.zwart@rivm.nl
 
Inventarisatie Verstoringen
 

De Inventarisatie Verstoringen betreft een vijfjaarlijkse nationale inventarisatie van hinder door geluid, geur, trillingen en licht. De inventarisatie vormt de basis voor eventuele aanpassingen van het beleid.

Organisatie:
Het onderzoek wordt uitgevoerd door het Centrum voor Milieu, Gezondheid en Omgevingskwaliteit (MGO) van het RIVM in opdracht van het ministerie van I&M, directie Leefomgevingskwaliteit (LOK).


Website: Centrum voor Milieu, Gezondheid en Omgevingskwaliteit (MGO)
Email:mgo@rivm.nl
 
Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM)
 

Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) heeft tot doel het beschrijven en verklaren van de huidige kwaliteit van het recent gevormde grondwater in relatie tot milieudruk en beleidsmaatregelen (LMM-EM). Een tweede doel is verkennend onderzoek naar veranderingen in de landbouwpraktijk en de gevolgen daarvan voor de kwaliteit van het recent gevormde grondwater (LMM-VM).

Organisatie:
Het LMM wordt gezamenlijk door het RIVM en het LEI ontwikkeld en beheerd. Daarnaast wordt op onderdelen ook samengewerkt met verschillende andere instellingen. Het LMM wordt uitgevoerd in opdracht van de ministeries van EL&I en I&M.

Websites:

LMM-website RIVM (o.a. over monsterneming en ontwikkeling grondwaterkwaliteit)
LMM-website LEI(o.a. over mestgebruik, stikfstofbodemoverschotten en Bedrijven-InformatieNet


Email:lmm@rivm.nl
 
Monitoring Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)
 

Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) heeft als hoofddoelen het verbeteren van de luchtkwaliteit ten behoeve van de volksgezondheid en het bieden van ruimte voor en bijdragen aan de onderbouwing van ruimtelijke projecten.

Monitoring is nodig om zeker te stellen dat overal tijdig de grenswaarden worden gehaald. De monitoring van het NSL is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de drie betrokken overheidsniveaus: gemeenten, provincies en het rijk. I&M is opdrachtgever en eindverantwoordelijke. Op rijksniveau speelt daarnaast  Rijkswaterstaat een rol met betrekking tot projecten en maatregelen op de rijkswegen.

De monitoring van het NSL wordt uitgevoerd door het Bureau Monitoring NSL, een samenwerking tussen het RIVM en InfoMil.

Ten behoeve van het NSL, de jaarlijkse (EU-)rapportage en de monitoring van het NSL heeft het (voormalige) ministerie van VROM registratie- en rekeninstrumenten laten ontwikkelen, waaronder een monitoringtool.


Website: NSL op InfoMil.nl
Email:info@infomil.nl
 
TrendMeetnet Verzuring (TMV)
 

In het TrendMeetnet Verzuring (TMV) wordt de kwaliteit van het bovenste grondwater onder natuurgebieden op zandgrond in Nederland vastgesteld. Hiertoe wordt op 155 locaties het bovenste grondwater bemonsterd en geanalyseerd.

  

Het TrendMeetnet Verzuring wordt door het RIVM geëxploiteerd in opdracht van het ministerie van I&M.


Website: TrendMeetnet Verzuring (TMV)
Email:esther.wattel@rivm.nl
 
Meetnet Hemelhelderheid Nederland
 

Met het Meetnet Hemelhelderheid Nederland wordt een beeld verkregen van de donkerte in de nacht en de variatie daarin.

Het meetnet bestaat uit 9 locaties waar continu wordt gemeten. De metingen worden tevens gebruikt voor validatie van modellen voor hemelhelderheid en voor validatie van satellietmetingen.

Organisatie: RIVM


Website: Meetnet Hemelhelderheid Nederland
Email:info@rivm.nl
 
Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden
 

Het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden brengt de invloed in beeld van ammoniakbronnen buiten de natuur op natuurgebieden. Het meetnet werd in 2005 opgezet om ammoniakconcentraties in de natuur te volgen en de modelberekeningen van de concentratie te toetsen. De metingen vinden plaats in Natura 2000 gebieden. Het meetnet levert ook een bijdrage aan de ‘Programmatische Aanpak Stikstof’ (PAS) van het ministerie van EL&I.

 

De bijbehorende rapporten zijn via de gerelateerde items te bekijken.

 

Contactpersonen:

Margreet van Zanten (RIVM): margreet.van.zanten@rivm.nl

Eric Noordijk (PBL): eric.noordijk@pbl.nl


Website: Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (website RIVM)
 
 
Nieuw in portaal
Veel bezochte informatie

Invoerportaal flora en fauna

Trilateraal Monitoring en Assessment Programma

Wadwijzer.nl  PRISMA

Hydrotheek  WaddenZee.nl

Verspreidingsatlassen evertebraten

Centrum voor Milieu Monitoring

Monitoring geringde ganzen

CESAR Observatory