Organisaties > Overheden en semi-overheden:Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is het onderzoeksinstituut van de overheid op het gebied van volksgezondheid en milieu. Het RIVM verricht niet alleen zelf onderzoek, maar verzamelt ook wereldwijd kennis en past die kennis toe. Het brengt jaarlijks een groot aantal rapporten en adviezen uit. Postadres: Website: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) Email: info@rivm.nl |
|||
Gerelateerde informatie in het Monitoringportaal: |
|||
Organisaties |
|||
| Maatschappelijke organisaties (1) | |||
|
|||
|
De Vlinderstichting is een natuurbeschermingsorganisatie die zich sterk maakt voor het behoud en herstel van vlinders en libellen in Nederland en Europa. Door gericht onderzoek, monitoring en het geven van adviezen zet de Vlinderstichting zich in voor vlinders en libellen. De Vlinderstichting werkt vaak samen met of in opdracht van anderen, bijvoorbeeld Vereniging Natuurmonumenten, CBS, RIVM, provinciale landschappen, ministerie van EL&I, provincies en gemeenten. De Vlinderstichting is lid van de Stichting VeldOnderzoek Flora en Fauna (VOFF) en levert bijdragen aan het Landelijk Meetnet Vlinders en het Landelijk Meetnet Libellen. Website: Vlinderstichting Email:info@vlinderstichting.nl |
|||
| Overheden en semi-overheden (5) | |||
|
|||
|
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) is verantwoordelijk voor de desbetreffende sectoren van de Nederlandse overheid. I&M is ontstaan uit een samenvoeging van (onderdelen van) het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu en het voormalige ministerie van Verkeer en Waterstaat. Telefoonnummer: 070 - 456 61 71 Website: I&M |
|||
|
|||
|
Het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) is verantwoordelijk voor de desbetreffende sectoren van de Nederlandse overheid. Tot het werkveld van het ministerie behoort ook natuur. EL&I is ontstaan uit een samenvoeging van het voormalige ministerie van Economische Zaken en het voormalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Telefoonnummer: 070 – 379 8911 Website: EL&I |
|||
|
|||
|
Het Ministerie van Volkgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is verantwoordelijk voor het overheidsbeleid op het terrein van de gezondheidszorg, de maatschappelijke zorg en sport. Postadres: Bezoekadres: Telefoon: 070 - 340 79 11 Website: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Email:info@minvws.nl |
|||
|
|||
|
Het Expertisecentrum Geluid geeft rijksbrede ondersteuning op het gebied van geluid, geluidshinder en gezondheid. Het centrum verzamelt en ontwikkelt kennis en kunde op het gebied van meet- en rekenvoorschriften voor geluid, monitoring en effecten- en 'impact' onderzoek. Organisatie: Website: Expertisecentrum Geluid Email:info@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Dit centrum van het RIVM is het kenniscentrum voor de monitoring en interpretatie van de milieukwaliteit. Het centrum is expert in de analyse van bodem, grond(water), lucht en geluid. Taken:
Het Centrum voor Milieu Monitoring werkt samen met onder andere de volgende organisaties: DCMR, GGD Amsterdam, provincies en gemeenten, LEI, WUR, PBL, TNO Bouw en Ondergrond, Deltares, Alterra, ECN, AgentschapNL, IPO en KNMI. Telefoon: 030 - 274 86 49 Website: Centrum voor Milieu Monitoring Email:cmm@rivm.nl |
|||
| Overig (1) | |||
|
|||
|
Erbij is een uitwisselingsforum voor professionals. Experts op het gebied van milieu-informatie, moderne webtechnologie en meta-informatie standaarden werken hier samen aan het harmoniseren van overheidsinformatie en een verbeterde toegang tot milieu-informatie. Op de webpagina erbij/kwali-tijd werken de Provincies, IPO en het RIVM samen om de kwaliteit van de bodem- en grondwatermeetnetten onderling vergelijkbaar te maken. RSS: http://www.erbij.nl/erbij_tot_rss.asp Website: Erbij Email:info@erbij.nl |
|||
Overleggroepen |
|||
| Overleggroepen (14) | |||
|
|||
|
Het OLM is een technisch afstemmingsoverleg om metingen vergelijkbaar te maken. Participerende organisaties: RIVM, VMM, Provincies, Gemeenten Email:info@rivm.nl |
|||
|
|||
|
PIE is door de doelgroep Energie ontwikkeld in nauwe samenwerking met het ECN. Het is een integratieplatform dat de grootte en de samenstelling van de vraag naar energiedragers door de verschillende sectoren koppelt aan het aanbod van de energieproductiesector.
Organisaties: PBL, RIVM en ECN Email:info@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Het Planbureau voor de Leefomgeving (team Leefomgevingskwaliteit, LOK) en het Centrum voor Externe Veiligheid (CEV) van RIVM hebben een leveringscontract voor data over externe veiligheid. Het LOK-CEV overleg bewaakt de uitvoering van dit contract. Externe veiligheid Email:guus.dehollander@pbl.nl |
|||
|
|||
|
Overleg tussen opdrachtgever en opdrachtnemers over het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit.
Participerende organisaties: I&M/DGM, RIVM, TNO Email:kees.plug@minvrom.nl |
|||
|
|||
|
Overleg tussen opdrachtgever en opdrachtnemers over het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit
Participerende organisaties: I&M/DGM, RIVM, TNO Email:kees.plug@minvrom.nl |
|||
|
|||
|
De Klankbordgroep richt zich op het vormgeven van de Nederlandse inbreng in de Expert Group INSPIRE alsmede de implementatie van INSPIRE in Nederland.
Participerende organisaties: Alterra, CBS, Kadaster, KNMI, I&M, PBL, TNO, VNG, GeoNovum, GBN, Dienst der Hydrografie, DLG, IOG-GEO, LSV-GBKN, RIVM, RWS, UvW Email:r.beltman@geonovum.nl |
|||
|
|||
|
De Stuurgroep Monitoring heeft tot doel een verbetering van de samenhang, efficiëntie en effectiviteit van monitoring, de hieruit volgende rapportages en de bijbehorende data- en informatie-uitwisseling voor milieu, natuur en water. De stuurgroep geeft uitvoering aan de Samenwerkingsovereenkomst Monitoring van IPO, RIVM, PBL en de ministeries van EL&I en I&M. Email:birgit.loos@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Overleg van de uitvoerders Alterra en RIVM met de opdrachtgevers EL&I en I&M over inhoudelijke en organisatorische aspecten van de Nieuwe Inspectie Methodiek (NIM).
Participerende organisaties: I&M/DGM, EL&I, Alterra, RIVM, PBL Email:peter.henkens@minvrom.nl |
|||
|
|||
|
Overleg tussen opdrachtgever en opdrachtnemers over alle aspecten van het Trend Meetnet Verzuring.
Participerende organisaties: DGM, RIVM, EL&I Email:kees.plug@minvrom.nl |
|||
|
|||
|
De Enquête Bestrijdingsmiddelen Landbouw heeft tot doel het verkrijgen van landelijke gegevens over chemische, biologische en mechanische bestrijding in de belangrijkste gewassen in de land- en tuinbouw. Het Overleg Enquête Bestrijdingsmiddelen bespreekt de inhoud van de enquêtes voorafgaande aan een nieuwe enquête-ronde.
Participerende organisaties: CBS, RIVM, PBL e.a. Contactpersoon: Rob Vijftigschild (CBS) Email:rvfd@cbs.nl |
|||
|
|||
|
Diverse organisaties hebben zitting in de commissie en adviseren aan de ministeries van EL&I en I&M over inhoudelijke, organisatorische en financiële aspecten van het LMM. Klik hier voor meer informatie over het LMM.
Websites: LMM-website RIVM (o.a. over monsterneming en ontwikkeling grondwaterkwaliteit) LMM-website LEI (o.a. over mestgebruik, stikstofbodemoverschotten en Bedrijven-InformatieNet) Email:lmm@rivm.nl |
|||
|
|||
|
De Emissieregistratie (ER) wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van I&M. De Trendanalysedag draagt jaarlijks zorg voor het analyseren en vaststellen van de trends alsmede het controleren van de gegevens.
Participerende organisaties: ER, PBL, de Waterdienst, RIVM en LEI Website: Emissieregistratie Email:paul.ruyssenaars@pbl.nl |
|||
|
|||
|
De projectgroep richt zich op de ontwikkeling van het systeem PEARL.
Het nieuwe PEARL model beschrijft het gedrag van bestrijdingsmiddelen in het bodem-plant systeem en de emissie van deze middelen naar de omgeving. Het model wordt gebruikt in combinatie met het hydrologisch model SWAP. Met het model kunnen verschillende gewasrotaties en toedieningsmethoden van bestrijdingsmiddelen worden doorgerekend.
Participerende organisaties: PBL, Alterra, RIVM Email:aaldrik.tiktak@pbl.nl |
|||
|
|||
|
Het Directoraat-Generaal Milieu (DGM) is opgegaan in andere organisatieonderdelen van het ministerie van VROM (nu: I&M). DGM heeft aangeboden om de provinciale monitoring te bundelen en onder te brengen bij het RIVM, zodat uniformering van monitoring mogelijk is. DGM heeft verder aangeboden (het zogenaamde DGM bod) voor financiering van deze monitoring zorg te dragen, wanneer de provincies de (provinciale) monitoring onderbrengen bij het RIVM. Het rapport Inventarisatie DGM-bod is inmiddels opgeleverd. Er heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden over een eventueel vervolg. |
|||
Produkten |
|||
| Publicaties (127) | |||
|
|||
|
Samenvatting: Met het meetnet wordt de invloed van ammoniakbronnen buiten de natuurgebieden in beeld gebracht. Het is in 2005 opgezet om ammoniakconcentraties in de natuur te volgen en de modelberekeningen van de concentratie te toetsen die standaard worden gebruikt. De metingen vinden plaats in Natura 2000-gebieden die door hun ligging op arme zandgronden kwetsbaar zijn voor bemesting door de atmosferische aanvoer van ammoniak. Met zogeheten passieve samplers (buisjes), een eenvoudige en goedkope methode, worden maandgemiddelde ammoniakconcentraties in de lucht gemeten in 29 natuurgebieden verspreid over heel Nederland. Om inzicht te krijgen hoe de ammoniakconcentratie varieert binnen een natuurgebied wordt op meerdere locaties in een gebied gemeten. De ammoniakconcentraties zijn ook berekend met een nieuwe, experimentele versie van het model OPS van het RIVM en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). De berekeningen komen goed overeen met de metingen. Dit bevestigt dat het voormalige verschil tussen berekende en gemeten ammoniakconcentraties, het zogeheten ammoniakgat, door de gemaakte aanpassingen in het model zo goed als verdwenen is. Alleen de gemeten concentraties in de duingebieden zijn, hoewel heel laag, enkele malen hoger dan de berekeningen. Auteurs: Website: Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden: meetresultaten 2005 - 2007 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Dit rapport beschrijft de resultaten van onderzoek naar het opzetten van een kennissysteem voor soorten- en gebiedenbeleid voor het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP).
Het kennissysteem richt zich met name op de doelstellingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn.Uitgangspunt van een prototype van het kennissysteem is het huidige ecologische kennissysteem van het MNP, waarin graadmeter, meetnetten en modellen een belangrijke rol spelen.
Onderzocht is of het huidige kennissysteem voldoet voor het doen van uitspraken over de VHR, welke knelpunten er zijn en hoe deze opgelost kunnen worden. De verbeteringen vormen in samenhang met het al bestaande instrumentarium het eerste prototype van het kennissysteem voor de VHR. Naast uitleg van de diverse onderdelen van het kennissysteem worden ook voorbeelden van toepassingen van dit kennissysteem beschreven.
Het prototype kennissysteem bevat informatie over (1) waar welke doelen gelden, (2) waar welke soorten en habitats nu voorkomen (gemeten en/of statistisch voorspeld), (3) wat de historische trends in mate van voorkomen van deze soorten zijn (ofwel landelijk gemiddeld of wel gebiedsspecifiek) en (4) hoe het voorkomen van soorten afhangt van ruimte- en/of milieudruk (in beeld gebracht door directe en/of indirecte relaties met modeluitkomsten ofwel via berekening van toelaatbare milieu- en/of ruimtedruk -c.q. "ecologische vereisten"- in termen van minimaal habitatoppervlakte of maximaal toelaatbare kritische depositie).
Daarnaast is een methode ontwikkeld om de invloeden van depositie op VHR-gebieden goed in beeld te brengen.
Auteurs:
Rapportnummer: RIVM Rapport 550018001
Jaar van uitgave: 2004 Website: Aansluiting MNP-instrumentarium bij de Vogel- en Habitatrichtlijn (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Door recente data is de kennis over de chemie van de Nederlandse bodem flink toegenomen. Deze kennis is van belang bij het beoordelen van risico's van onder andere aanwezige zware metalen. Deze zware metalen komen deels van nature voor in de bodem maar zij zijn ook het gevolg van menselijk handelen. Door het afleiden van rekenkundige relaties is het mogelijk om het natuurlijke aandeel van de metalen te schatten. Daarnaast kan ingeschat worden welke invloed de mens heeft gehad op de toename van de concentraties. Deze relaties kunnen ook gebruikt worden als basis voor een zogenaamde 'bodemtypecorrectie', een methode uit de Nederlandse bodempraktijk om bodemconcentraties en bodemnormen te standaardiseren op basis van het gehalte aan klei en organische stof in een bodemmonster.
De afgeleide relaties beperken zich tot de zware metalen, arseen en antimoon. Zij zijn gebaseerd op de relatie met de kleimineralogie. Ondanks wat tot nu toe werd aangenomen, heeft het gehalte aan organische stof geen invloed op de variatie van de natuurlijke concentraties van metalen. Voor organische stoffen zoals polycyclische aromaten kunnen ook relaties afgeleid worden maar dit is niet uitgevoerd wegens het ontbreken van data. In deze studie worden het principe en de methodiek achter de rekenkundige relaties uitgelegd. Daarnaast wordt uitgelegd welke rol deze relaties kunnen spelen voor het berekenen van de risico's van stoffen in de bodem en hoe deze kunnen worden toegepast als bodemtypecorrectie.
Auteurs:
Rapportnummer: RIVM rapport 711701074
Jaar van uitgave: 2007 Website: Achtergrondconcentraties en relatie met bodemtype in de Nederlandse bodem (PDF) |
|||
|
|||
|
Nederlandse titel: Samenvatting: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Ammonia exchange measurements over a corn field in Lelystad, the Netherlands in 2009 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
De doelgroep voor de prestatievergelijking zijn alle 'stakeholders' en voor de beleidstoets de rijksoverheid. De waterleidingsector kan de prestatievergelijking zelf uitvoeren. Een onafhankelijke instelling (bijvoorbeeld de Rekenkamer of het RIVM) kan de beleidstoets uitvoeren. Indicatoren voor waterkwaliteit (prestatievergelijking en beleidstoets) en milieu zijn in dit rapport beschreven.
Een van de indicatoren voor de prestatievergelijking is de Waterkwaliteitsindex (WKI). De WKI is een getal, gebaseerd op drinkwaterkwaliteitsgegevens, waarmee op een hoog abstractieniveau de waardering van de drinkwaterkwaliteit tussen de waterleidingbedrijven wordt vergeleken. De WKI die de bedrijfstak gebruikt in de vrijwillige benchmark is geëvalueerd. Het RIVM doet naar aanleiding hiervan voorstellen voor veranderingen van de WKI. Het RIVM heeft samen met de VEWIN de voorstellen uitgewerkt tot een operationele WKI 'nieuwe stijl'.
Voor het onderdeel milieu van de prestatievergelijking is de milieu-Levenscyclusanalyse (m-LCA) goed toepasbaar, maar er mist een goede indicator voor het onderwerp verdroging. Verdroging als gevolg van grondwaterwinning is het belangrijkste onderwerp als het om de milieubelasting van de sector gaat. De milieubelasting van de drinkwatersector vergeleken met andere netwerksectoren is relatief gering. Het belangrijkste onderwerp van de milieubelasting maakt geen deel uit van de m-LCA. Daarom is het de vraag of het zinvol is dit relatief complexe instrument in te zetten voor de verplichte benchmark. Wellicht kan worden volstaan met indicatoren voor de meest relevante onderwerpen namelijk: verdroging/vernatting; energieverbruik; milieuvriendelijke energieverbruik en hergebruik van afvalstoffen. De overige indicatoren voor de prestatievergelijking en de beleidstoetsing zijn in dit rapport op hoofdlijnen weergegeven. Nadere uitwerking zal in een vervolgopdracht plaatsvinden. J.F.M. Versteegh, B.H. Tangena en J.H.C. Mulschlegel
Rapportnummer: RIVM rapport 734301023
Jaar van uitgave: 2004 Website: Benchmark en Beleidstoets voor de Drinkwatersector: indicatoren Waterkwaliteit en Milieu (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Risico's voor de mens ten gevolge van inhalatie van asbest vezels zijn het meest kritisch. Daarom is de risico-analyse gebaseerd op de mogelijkheid voor asbestvezels om in de lucht te komen, waarbij een verschil wordt gemaakt tussen chrysotiel en amfibool asbest, hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest en respirabele en niet-respirabele fractie in de bodem. Omdat het gedrag van asbest in de bodem verschilt van die van andere contaminant is geen gebruik gemaakt van het CSOIL blootstellingsmodel. In plaats hiervan is voor de afleiding van de interventiewaarde gebruik gemaakt van meetresultaten uit de praktijk, te weten asbestconcentraties in de bodem en de lucht. In stap 2 en 3 van de methode om het locatie-specifieke risico te bepalen is gebruik gemaakt van meetmethoden.
Auteurs: Rapportnummer: RIVM rapport 711701034
Jaar van uitgave: 2003 Website: Beoordeling van de risico\'s van bodemverontreiniging met asbest (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: In mei 2002 hebben de ministeries van VROM en VWS het Actieprogramma Gezondheid en Milieu aan de Tweede Kamer gepresenteerd. Daarin was onder meer een ontwerp van het Beoordelingskader Gezondheid en Milieu opgenomen. Dit is een instrument waarmee factoren in beeld worden gebracht die een rol spelen bij beleids-beslissingen over milieuproblemen met gezondheidsaspecten. Het gaat dan niet alleen om ernst en omvang van gezondheidseffecten, maar ook om risicoperceptie, kosten-baten analyses en handhavingsaspecten. In dit rapport wordt aan de hand van een deskundigenconsultatie, een literatuur onderzoek en een tweetal workshops aannemelijk gemaakt dat voor de ontwerpversie de juiste uitgangspunten zijn gekozen.
Auteurs: Bruggen, M. en T. Fast
Rapportnummer: RIVM rapport 609026003 Zie ook RIVM rapport 251701047: 'Nuchter omgaan met risico's'
Jaar van uitgave: 2003 Website: Beoordelingskader Gezondheid en Milieu (PDF) Email:t.fast@wxs.nl |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
De betrouwbaarheid wordt voorgesteld als een band (zone) rondom de verwachtingswaarde van een verblijftijd-isochrone, bijvoorbeeld 25 jaar. De breedte van deze band voor een zekere waarschijnlijkheid van voorkomen (bijvoorbeeld tussen de 97,5 en 2,5 percentielwaarden) neemt toe met een toenemende onzekerheid van modelinvoer parameters. Gebruik is gemaakt van de First-Order Second-Moment (FOSM) methode voor de analyse van de voortplanting van fouten. De resultaten van de FOSM methode zijn vergeleken met die van de Monte Carlo aanpak voor een LGM-model en als een onafhankelijke test een TRIWACO-model. Uit deze vergelijking is geconcludeerd dat de FOSM-methode adequaat en rekentechnisch effectief is voor het analyseren van de betrouwbaarheid van verblijftijden. Aangenomen is dat de kansdichtheidsverdeling van verblijftijden lognormaal verdeeld is.
De methode houdt rekening met de onzekerheid in een aantal modelinvoer parameters, zijnde de factoren die de onzekerheid in verblijftijden tot gevolg hebben. De onzekerheid van de parameters is bepaald door middel van calibratie (invers model) en expert-judgement. De toepasbaarheid van de ontwikkelde methode is aan de hand van een pilot-studie getoond, gebruikmakend van het binnen het LGM bestaande deelmodel Utrecht. De methode kan bij verschillende dichtheid van eindige-elementengrid worden gebruikt, zowel voor problemen op lokale schaal (hoge griddichtheid) als op regionale schaal. De informatie over de betrouwbaarheid van verblijftijden kan worden benut voor beleidsmatige beslissingen, zoals bij onderzoek naar risico's binnen de bestaande grondwaterbeschermingsgebieden.
Auteurs:
Rapportnummer: RIVM Rapport 703717013
Jaar van uitgave: 2005 Website: Betrouwbaarheid van verblijftijden naar grondwaterwinningen; toepassing van Landelijk Grondwatermodel - LGM (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Een eerste stap naar afstemming is het gebruik maken van dezelfde basisgegevens. Hiervoor is een grote dataset samengesteld die bestaat uit 170.000 opnamen, waar zowel de responsmodule MOVE van afgeleid werd als de ecotopenindeling van DEMNAT. Dit rapport beschrijft hoe deze gegevens zijn gebruikt om de indeling van soorten in ecologische soortengroepen te verbeteren. De dataset bevat opnamen uit alle delen van het land, maar de dichtheid van opnamen is in sommige delen groter dan in andere delen. De data, waarop een eerste indeling is gebaseerd, zijn vergeleken met literatuurgegevens. Met gevonden inconsistenties tussen indeling en literatuur, die vooral veroorzaakt werden door heterogeniteit van opnamen en het voorkomen van meerdere vegetatielagen in een opname, b.v. oppervlakkig wortelende mossen en diep wortelende struiken, is rekening gehouden bij de analyse. Deze procedure leidde tot een groot aantal aanbevelingen ter verbetering van de indeling in ecologische soortengroepen.
Auteurs: J. Runhaar, M. van 't Zelfde, C.L.G. Groen en J.R.M. Alkemade (eds.)
Rapportnummer: RIVM rapport 408657009
Jaar van uitgave: Website: Bepaling ecotooptype en toetsing indeling in ecologische soortengroepen van vegetaties (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Auteur: Jaar van uitgave:
Website: Biociden in oppervlaktewater voor drinkwaterproductie (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Auteurs:
Rapportnummer: RIVM rapport 717101001
Jaar van uitgave: 2005 Website: Biodiversity Trends and Threats in Europe: development and test of a species trend indicator (PDF) |
|||
|
|||
|
Harmonisatie van de provinciale en rijksmeetnetten bodem- en grondwaterkwaliteit is belangrijk. Daarom auditten de meetnetbeheerders periodiek elkaars meetnetten. Het auditrapport 2008-2009 is in november 2009 vastgesteld in het Platform Meetnetbeheerders Bodem- en Grondwaterkwaliteit. Samenvatting: Meer informatie: Website: Erbij/Kwali-Tijd Email:info@erbij.nl |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Het rapport beschrijft een softwarepakket dat begin jaren negentig is ontwikkeld om statistische luchtkwaliteitsmodellen te vervaardigen ten behoeve van de dagelijkse smogverwachting die het RIVM uitbrengt.
Het pakket, Creamod, bestaat uit een aantal modules waarmee zeer snel luchtkwaliteitsmodellen kunnen worden gedefinieerd, vervaardigd en getoetst. De centrale rekenregel waarmee een prognose wordt uitgebracht is steeds dezelfde. De concentratie in de toekomst is de concentratie van het heden, vermenigvuldigd met een correctiefactor. Deze correctiefactor wordt afgeleid uit statistieken van luchtkwaliteitsmetingen uit het verleden, waarbij omstandigheden als stationstype, seizoen en de verwachte weersverandering identiek zijn aan de situatie waarvoor de prognose wordt gemaakt. Een werkend model bestaat uit een definitiebestand waarin de structuur van het model is vastgelegd, statistiekenbestanden waarin de correctiefactoren zijn opgeslagen en de rekenstructuur die Creamod biedt.
Auteur:
Rapportnummer: RIVM rapport 725301011
Jaar van uitgave: 2003 Website: Creamod - Een infrastructuur voor smogmodellen op statistische basis (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Website: De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2009 (PDF) |
|||
|
|||
|
Volledige titel: Samenvatting: Website: De kwaliteit van ondiep en middeldiep grondwater in Nederland (PDF) |
|||
|
|||
|
Nederlandse titel: Ontwikkelingen in het monitoren van de effectiviteit van de Nitraatlijn Actieprogramma's. Samenvatting: Het RIVM heeft de workshop in 2009 met het Deense Milieuonderzoeksinstituut (DMU), de Geologische Dienst voor Denemarken en Groenland (GEUS) en het LEI, onderdeel van Wageningen UR, georganiseerd. Aan deze tweede MonNO3-workshop namen twaalf landen uit Noordwest- en Midden-Europa deel. De workshop richtte zich vooral op de ontwikkelingen sinds 2003, het jaar dat de eerste MonNO3 workshop heeft plaatsgevonden. Rapportnummer:
Jaar van uitgave: Website: Developments in monitoring the effectiveness of the EU Nitrates Directive Action Programmes (PDF) Email:dico.fraters@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
In dit rapport worden de technische testen beschreven die zijn uitgevoerd, voordat de Natuurplanner is ingezet in de Natuurverkenning. De testen richten zich op het technisch functioneren van de modellen binnen de Natuurplanner. Inhoudelijk is er voor de verschillende modellen documentatie beschikbaar. De testprocedure voor de modulen is een stapsgewijze aanpak. De eerste stap is een eenvoudige test, indien een module niet door de test komt werd de module teruggelegd bij de ontwikkelaars. Na herstel werd de module opnieuw getest met de eenvoudige test en een uitgebreide test. Tot de module foutloos door de testen heen komt. Deze testprocedure heeft ertoe geleid dat de Natuurverkenning uitgevoerd is met modules die voldoen aan technisch functionele eisen. Dit testrapport en de toepassing in de Natuurverkenning 2 tonen aan dat een test vooraf resulteert in een vrijwel foutloze en efficiënte berekening, zonder dat in de loop van een project extra tijd en inzet nodig zijn.
Auteurs: M. Bakkenes, D.C.J. van der Hoek en J.R.M. Alkemade
Rapportnummer: RIVM rapport 500002001
Jaar van uitgave: Website: Documentatie testrapport modelketen Natuurplanner (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: De gehele berekening is terug te voeren op een GIS-kaart van het agrarisch landgebruik, waarbij 51 verschillende teelten worden onderscheiden. Hierdoor is het mogelijk om de resultaten in kaartbeelden weer te geven. Door de toepassing van soortengevoeligheidsverdelingen (SSD) en rekenregels voor combinatietoxiciteit, wordt de berekende blootstelling omgerekend naar een risicoschatting voor de aquatische levensgemeenschap die aanwezig hoort te zijn in kavelsloten. Dit risico wordt weergegeven als de fractie van de soorten die wordt geacht enig effect van de blootstelling te ondervinden. In de samenvatting van de risicokaarten wordt aangetoond dat het merendeel van het voorspelde risico wordt veroorzaakt door het gangbare bestrijdingsmiddelengebruik in de aardappelteelt. Slechts 7 van de 261 bestrijdingsmiddelen zijn verantwoordelijk te stellen voor 95% van het voorspelde risico. Voor alle bestrijdingsmiddelen tezamen is 50% het maximum risico dat is berekend voor enige plek in Nederland. Met behulp van simpele statistische regressie technieken is het berekende risico vergeleken met de door waterkwaliteitsbeheerders gemeten soortensamenstelling in het veld. Deze analyse levert een zwakke indicatie dat de voorspelde aantasting van het ecosysteem ook werkelijk waarneembaar is in het veld. Het geringe aantal beschikbare biologische waarnemingen in kavelsloten tezamen met een grote variabiliteit in de meetgegevens is er echter voor verantwoordelijk dat er geen significante relatie tussen modelvoorspelling en waarnemingen is aan te tonen. Auteur: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Ecologische effecten van bestrijdingsmiddelen: berekende en waargenomen effecten in de kavelsloot (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
In dit rapport worden twee benaderingen beschreven om tot dergelijke kwaliteitscriteria te komen op basis van de tot dusver verzamelde data. 1) De mechanistische of functionele methode. Hierbij wordt nagegaan welke combinatie van nutsfuncties op een bepaalde plek gewenst is en vervolgens wordt de samenstelling van het daarbij behorende 'goede' bodemecosysteem beschreven met behulp van statistische interpretatie van de verzamelde bodemecologische data. 2) De statistische methode. Bij deze methode wordt voor een bepaalde combinatie van grondsoort en bodemgebruik bodemecologische data van een groep van geografische referenties verzameld en op basis daarvan wordt dan aangegeven wat de optimale samenstelling van het bodemecosysteem type is. Bij de toepassing van de indicator zou dan, in beide benaderingen, moeten worden aangegeven, in hoeverre de huidige kwaliteit voldoet aan de criteria van de gewenste kwaliteit. Vanwege de complexiteit van de materie wordt voorgesteld beide benaderingen onafhankelijk van elkaar te ontwikkelen volgens het principe van multiple lines of evidence. Idealiter zullen beide benaderingen uiteindelijk tot een overeenkomend resultaat leiden. Tenslotte wordt een verdere ontwikkeling van de indicator voor toepassing op internationale en lokale schaal besproken.
Auteurs: A.M. Breure, M. Rutgers, J. Bloem, L. Brussaard, E. Didden, G. Jagers op Akkerhuis, Ch. Mulder, A.J. Schouten en H.J. van Wijnen
Rapportnummer: RIVM rapport 607604005
Jaar van uitgave: 2003 Website: Ecologische kwaliteit van de bodem (PDF) |
|||
|
|||
|
Volledige titel:
De methode bestaat uit drie stappen, waarbij milieu-chemische, toxicologische en ecologische interacties apart behandeld worden. In de eerste stap wordt blootstelling behandeld. In de tweede stap wordt de "mixed-model approach" toegepast. Hierbij wordt de toxische druk van groepen van stoffen met hetzelfde werkingsmechanisme voorspeld door concentratie additie aan te nemen voor de biologische actieve fracties binnen deze groepen, terwijl de algehele risico's over deze groepen en de overgebleven groepen (met een uniek werkingsmechanisme in het mengsel) voorspeld wordt door response additie aan te nemen voor de biologische actieve fracties. De derde stap is het inschatten van de ecologische interacties. Voor deze laatste stap is de theoretische onderbouwing echter zwak en zijn er nauwelijks -tot geen- gegevens voorhanden. Mogelijkheden voor het toepassen van de voorgestelde methode in de risicobeoordelingspraktijk worden bediscussieerd door de voor- en nadelen op te sommen voor de diverse risicobeoordelingssituaties.
M. Mesman en L. Posthuma
Rapportnummer: RIVM rapport 711701035
Jaar van uitgave: 2003 Website: Ecotoxiciteit van toxische mengsels in de bodem (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Auteurs: Rapportnummer: Website: Een onafhankelijke tool voor stedelijke luchtkwaliteitsberekeningen : Vergelijking met CAR-II, Monitoringstool en metingen (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Het project Kwali-tijd behelst een samenwerking van provincies (IPO) en RIVM, verenigd binnen het platform meetnetbeheerders. Het project is een onderdeel van de Strategische Milieuagenda 2005-2008 en het hiermee samenhangende Programma IPO Strategische Milieu Agenda (PRISMA). De ambtelijke opdrachtgever is het IPO-BOOG, die gehoord het advies van de vakgroep bodembescherming, de resultaten van het project voorlegt aan de Stuurgroep Bodem [STUBO], waarin vertegenwoordigd zijn de ministeries van LNV en VROM, EZ, het IPO, de VNG, de Unie van Waterschappen en Bodem+. Auteur: Jaar van uitgave: Website: Eindrapport fase 2 Project Kwali-Tijd 2005 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Begin jaren negentig heeft de overheid afspraken gemaakt met de industrie om de emissies van diverse stoffen te reduceren. Hoewel niet voor alle metalen de toen vastgestelde percentages van 70 tot 90% emissiereductie zijn gehaald, zijn de emissies wel aanzienlijk verminderd. Hierdoor zijn de ook de concentraties cadmium, chroom, kwik, lood en zink in lucht en regenwater in Nederland fors gedaald. De concentraties van deze metalen in de lucht liggen nu onder de milieukwaliteitsnormen. De huidige emissies en concentraties in de lucht hebben geen gevolgen voor de gezondheid van mensen. Ook de gehalten aan cadmium, chroom, kwik, lood en zink in de Nederlandse oppervlaktewateren zijn flink gedaald, maar behalve voor kwik worden de streefwaarde en milieukwaliteitsnormen op verschillende plaatsen nog overschreden. Dat wordt overigens vooral veroorzaakt door andere bronnen dan de industrie. Vanwege de Europese Kaderrichtlijn Water moeten de emissies aan zware metalen in de komende jaren verder worden teruggedrongen. Ook zijn er internationale afspraken gemaakt om de emissies van cadmium, lood en kwik naar de lucht te verminderen. Door de bouw van drie nieuwe kolengestookte energiecentrales en de mogelijke bouw van een kolenvergassingsinstallatie, zal de emissie van kwik waarschijnlijk echter toenemen. Auteurs: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Emissies en verspreiding van zware metalen (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Er bestaan grote verschillen in de manieren waarop Nederlandse beleidskaders de kwaliteit van grondwater toetsen. Desondanks voldoen ze aan de Europese Dochterrichtlijn Grondwater. Dat komt omdat deze richtlijn alleen randvoorwaarden aangeeft en het gebruik van verschillende beoordelingsmethodieken toestaat.
Verontreinigingsbronnen op of in de bodem, zoals afvalstoffen, bestrijdingsmiddelen of mest, kunnen de kwaliteit van het grondwater bedreigen. Voor elk bijbehorend beleidskader bestaan wetten om de verontreinigingsbronnen te reguleren. Doel van het onderzoek was om de verschillen tussen de beoordelingsmethoden voor grondwater op te helderen en vast te stellen of de methoden voldoen aan de eisen die de Europese Dochterrichtlijn Grondwater stelt. Met deze informatie kan de huidige discussie tussen beleidsmakers en wetenschappers, over nut en noodzaak van het harmoniseren van de beoordelingsmethodieken beter gevoerd worden.
De volgende beleidskaders zijn in de rapportage besproken: afvalstoffen, baggerdepots, bestrijdingmiddelen, bodemkwaliteit/ bodemsanering, bouwstoffen, grond en bagger, grootschalige bodemtoepassingen, mestbeleid en stortplaatsen. Voor deze beleidstoepassingen worden doel, de uitgangspunten, het toetscriterium en de gehanteerde rekenmethoden beschreven.
Auteurs: A.J. Verschoor en F.A. Swartjes
Rapportnummer: RIVM rapport 711701070
Jaar van uitgave: 2008 Website: Emissies naar grondwater: overzicht van beleidsuitgangspunten en procedures voor beoordeling (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Jaar van uitgave: Website: Evaluatie van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Eindrapport van de evaluatie van het LMM. Scenario's voor het programma vanaf 2011 (webpage) Evaluatie van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid. Bijlagenrapport (webpage) |
|||
|
|||
|
Nederlandse titel: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Evaluation of the representativeness of the Dutch national Air Quality Monitoring Network (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Het FAIR 2.0 model bevat drie deelmodellen: 1. Een klimaat model voor de evaluatie van de klimaateffecten van een mondiale emissieplafond en de berekening van de regionale bijdrage aan klimaatsveranderingen. 2. Een emissieallocatie model voor het verkennen en evalueren van de herverdeling van toegestane emissieruimte tussen de landen voor verschillende benaderingen voor internationale lastenverdeling-regimes. 3. Een kosten en emissie-handel model voor de berekening van de verdeling van de emissiereducties over de verschillende regio's, gassen en bronnen na de toepassingen van de Kyoto Mechanismen (bijvoorbeeld emissiehandel). Hierbij wordt gebruik gemaakt van een kosteneffectieve methode op basis van geaggregeerde vraag en aanbod curven, welke zijn afgeleid van deze marginale kosten curven. Dit model berekent ook de wereldwijde prijs op de internationale emissiemarkt, de kopers en verkopers op de markt, de marginale en totale kosten en de voordelen van emissiehandel.
Auteurs: M.G.J. den Elzen en P. Lucas
Rapportnummer: RIVM rapport 550015001
Jaar van uitgave: 2003 Website: FAIR 2.0 - een beleidsondersteunend model voor de evaluatie van de milieu en economisch consequenties van toekomstig klimaatbeleid (PDF) |
|||
|
|||
|
Het geluidmonitoringprogramma bestaat sinds 1999 en registreert ontwikkelingen in omgevingsgeluid door wegverkeer, railverkeer en luchtvaart. Jaarlijks wordt een rapport gepubliceerd. Organisatie: RIVM
|
|||
|
|||
|
Samenvatting: Auteurs: J. Jabben, C. Potma en S. Lutter
Rapportnummer: RIVM rapport 680350001
Jaar van uitgave: 2007 Website: Geluidonderzoek op vier trajectcontrole locaties (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Auteurs: Website: Gemeten en berekende NO2-concentraties in Amsterdam in 2008 (PDF) |
|||
|
|||
|
Voedselveiligheid, uitspoeling van contaminanten, normstelling voor bodemkwaliteit. Het is slechts een kleine greep uit de vraagstukken waarbij de Geochemische atlas van Nederland een essentiële rol kan spelen. De atlas bevat gegevens over 36 chemische elementen, zowel boven- als ondergronds, die worden gepresenteerd in kaarten, tabellen en frequentieverdelingen. De atlas is tot stand gekomen door een samenwerking tussen Deltares, RIVM en Alterra en is deels gefinancierd door het ministerie van EL&I via het programma BIS 2014. Met deze actualisering van het Bodemkundig Informatie Systeem kunnen overheid en bedrijven hun bodembeleid verbeteren. Website: Geochemische Atlas van Nederland (PDF) Email:gerben.mol@wur.nl |
|||
|
|||
|
Samenvatting:Nederland heeft sinds kort een nieuwe beslisboom om het risico van uitspoeling van bestrijdingsmiddelen naar het grondwater te kunnen beoordelen. In deze beslisboom wordt beoordeeld of de concentratie van bestrijdingsmiddelen in het grondwater de EU drinkwaternorm van 0,1 mu/L zal overschrijden. De nieuwe beslisboom houdt expliciet rekening met het oppervlak waarop het middel wordt toegepast. Een middel kan uitsluitend worden toegelaten indien de concentratie in het grondwater over een lange periode lager is dan 0,1 mu/L, onder tenminste 90% van het oppervlak waarop het middel zal worden verbruikt. Om dit criterium te kunnen toetsen is het model GeoPEARL ontwikkeld. Dit model zal een centrale rol gaan spelen in het nieuwe toelatingsbeleid. Dit rapport bevat een handleiding van het model, met nadruk op de nieuwe registratieprocedure.
Auteurs:
Rapportnummer: RIVM rapport 716601008. Het rapport dient te worden gebruikt in combinatie met rapport 601450019 (klik hier voor de PDF). Dit rapport de nieuwe beslisboom beschrijft.
Jaar van uitgave: 2004 Website: GeoPEARL model: Deel II - Handleiding en update van de modelbeschrijving PDF |
|||
|
|||
|
Samenvatting: In dit rapport wordt het GeoPEARL model gepresenteerd. GeoPEARL is een ruimtelijk verdeeld model, dat het gedrag van bestrijdingsmiddelen in het bodem - plant systeem beschrijft. Het model berekent de drainage naar het lokale oppervlaktewater en de uitspoeling naar het diepe grondwater. Met GeoPEARL kunnen stoffen met sterk uiteenlopende eigenschappen worden gesimuleerd, waaronder vluchtige stoffen en stoffen die bodemafhankelijke sorptie- en omzettingsconstanten hebben.
Het model zal worden ingezet voor de evaluatie van nationale beleidsplannen, zoals het 'Meerjarenplan Gewasbescherming' en het plan 'Duurzame Gewasbescherming'. Het rapport bevat een aantal voorbeeldberekeningen voor stoffen met verschillende eigenschappen. De resultaten laten zien dat de gemiddelde belasting van het oppervlaktewater een orde groter is dan de gemiddelde belasting van het grondwater. Snelle afvoermechanismen, zoals buisdrainage, zijn hierbij dominant. Bestrijdingsmiddelen die op een dergelijke wijze worden afgevoerd kunnen direct het oppervlaktewater belasten. GeoPEARL is ook gebruikt om de huidige toelatingsprocedure voor bestrijdingsmiddelen te verifiëren. In de huidige procedure wordt begonnen met de toepassing van PEARL op een enkele locatie. Deze locatie wordt verondersteld representatief te zijn voor kwetsbare gebieden. Resultaten van GeoPEARL laten echter zien dat, afhankelijk van het beschouwde middel, de maximum uitspoeling in verschillende gebieden plaats vindt. Dit duidt erop dat bij toepassing van het model op een locatie niet noodzakelijkerwijs de meest kwetsbare situatie gesimuleerd wordt. Om dit te bereiken moeten aanvullende voorwaarden gesteld worden. Om discussies over deze voorwaarden te voorkomen is directe toepassing van GeoPEARL te prefereren.
A. Tiktak, A.M.A. van der Linden en J.J.T.I. Boesten
Rapportnummer: RIVM rapport 716601007
Jaar van uitgave: 2003 Website: GeoPEARL model - Model beschrijving, toepassingen en handleiding (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Groepsgeluidbelasting Gden/Gnight. Toepassingsmogelijkheden luchtvaartgeluid (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Het RIVM heeft een handreiking opgesteld die aandachtspunten beschrijft bij onderzoek naar geluidshinder, de interpretatie van hindercijfers en de invloed van leeftijd en andere persoonlijke en contextuele factoren. Cijfers vaak niet goed vergelijkbaar. De handreiking vloeit voort uit een vraag van de GGD-en naar de oorzaak van het verschil tussen berekende en gemeten geluidshinder. Zoekende naar een verklaring bleek dat cijfers uit verschillende onderzoeken vaak niet goed vergelijkbaar zijn, doordat zij gebruikmaken van uiteenlopende vraagstellingen en analysemethoden. Ook zitten zowel rondom gemeten als berekende cijfers onzekerheidsmarges, waardoor het niet zinvol is alleen de gemiddelde uitkomsten te vergelijken. Verder bleek dat een blootstelling-responsrelatie uit 2009 hinderpercentages berekent die in het algemeen meer in de buurt liggen van de gemeten cijfers. Hinderpercentage bepalen met de meest geschikte methode. Los van het feit dat de blootstelling-respons relatie dus mogelijk verbeterd zou kunnen worden, is in een bestaande situatie een vragenlijst de meest geschikte methode om het percentage gehinderden te bepalen. Als metingen met dezelfde vragenlijst meerdere keren worden herhaald, zijn veranderingen in de tijd bovendien goed te volgen. Voor nog niet bestaande situaties of scenarioberekeningen zijn berekeningen met blootstelling-responsrelaties een goede methode om zicht te krijgen op te verwachten percentages gehinderden. Auteurs: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Handreiking geluidhinder wegverkeer: berekenen en meten (PDF) |
|||
|
|||
|
Volledige titel: Samenvatting: Auteurs: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Grootschalige stikstofdepositie in Nederland (PDF) |
|||
|
|||
|
PRISMA rapport Auteurs: Jaar van uitgave: Website: Handboek Monitoring Bodemsanering (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Het is geschreven op verzoek van werkgroepen onder de Conventie van Grootschalige Grensoverschrijdende Luchtverontreiniging (CLRTAP). Dit ter ondersteuning van de uitbreiding met dynamische model parameters van de Europese databank die momenteel uitsluitend kritische waarden voor verzurende en vermestende deposities bevat. Een Very Simple Dynamic (VSD) model wordt beschreven teneinde NFCs aan te moedigen om te voldoen aan minimale databehoeften bij de uitbreiding van nationale databanken van kritische waarden.
De handleiding kan worden geraadpleegd in combinatie met het gebruik van een geïmplementeerde versie van het VSD dat beschikbaar is op www.rivm.nl/cce. De handleiding geeft ook een overzicht van bestaande dynamische modellen die doorgaans meer complexe databehoeften hebben. Tenslotte verschaft het rapport een eerste beschrijving van mogelijke verbindingen tussen resultaten van dynamische modellering en geïntegreerde modellen voor de analyse en ondersteuning van luchtbeleid. Deze zijn in de nabije toekomst nodig voor de ondersteuning van de beleidsmatige evaluatie van het 1999 CLRTAP Protocol voor de bestrijding van verzuring, vermesting en troposferische ozon (het Gotenburg protocol) en de EU-richtlijn 2001/81/EG van het Europese Parlement (2001) inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (NEC directive).
Auteurs: Posch, M.B., J-P. Hettelingh en J. Slootweg
Rapportnummer:
RIVM rapport 259101012
Jaar van uitgave: 2003 Website: Handleiding voor de gevolgtijdelijke modellering van bodemrespons op atmosferische depositie (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: In dit onderzoek zijn de drie gebieden waar de mogelijke oorzaken van het ammoniakgat zaten verder uitgewerkt: a) in de metingen van ammoniak in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, b) in de berekeningswijze van het verspreidingsmodel OPS van PBL/RIVM en c) in de ammoniakemissies. De metingen van ammoniak in de buitenlucht blijken een onzekerheid van circa 7% te hebben. Op basis van recente literatuur en nieuwe metingen door RIVM/WUR kon de conclusie getrokken worden dat de snelheid waarmee ammoniak uit de atmosfeer verwijderd wordt, tengevolge van opname door vegetatie en bodem, aanzienlijk lager is dan werd aangenomen in het OPS-model. Hierdoor werd de ammoniakconcentratie in de buitenlucht ongeveer 15% te laag berekend. Hiermee werd het ammoniakgat verkleind naar 10%. Daarnaast blijken er nog emissies van ammoniak te zijn vanaf gewassen, met name tijdens afrijping, die niet in de nationale emissies meegenomen worden. Dit zou circa 4% van de nationale emissies kunnen bedragen. Als deze emissies meegenomen worden, verkleint het ammoniakgat verder naar circa 5%. Aangezien zowel de metingen als de berekeningen van de ammoniakconcentratie nog onzekerheden bevatten, kan gesteld worden dat het huidige verschil tussen de gemeten en de berekende ammoniakconcentratie niet significant meer is. Auteurs: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Het ammoniakgat: onderzoek en duiding (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: De woontevredenheid is de afgelopen jaren toegenomen. Toch is er nog steeds sprake van ernstige hinder in de leefomgeving, ondanks de inspanningen van de overheid om dit te verminderen. Omgevingsgeluid, geur, trillingen en licht zijn belangrijke veroorzakers van ernstige hinder en slaapverstoring. Geluid van wegverkeer is de grootste bron van ernstige geluidhinder. Bezorgdheid over de eigen veiligheid door wonen in of in de buurt van een onveilige woonsituatie neemt af. De ernstige bezorgdheid hierover neemt echter wel toe. Eén op de drie burgers is bezorgd over wonen op of in de buurt van een locatie met bodemverontreiniging. In het algemeen is men zowel tevreden over de woning als over de woonomgeving. Over het openbaar vervoer in de buurt is men het minst tevreden hoewel de ontevredenheid hierover de afgelopen jaren het meest is afgenomen. Het groen in buurt wordt zeer gewaardeerd en de kwaliteit ervan wordt goed bevonden. Veel mensen vinden dat ze in een groene buurt wonen en zijn hier ook tevreden over. Vooral de mogelijkheid die groenvoorzieningen bieden om te recreëren wordt zeer gewaardeerd. Ongeveer de helft van de inwoners in Nederland vindt zijn eigen buurt niet stil. Eén op de acht vindt dit ook geen belangrijk aspect van de woonomgeving. Voor één op de zes inwoners hoeft de wijk niet stiller, voor ongeveer één op de negen inwoners is de buurt niet stil genoeg. Dit zijn de belangrijkste bevindingen uit de zesde nationale 'Inventarisatie Verstoringen' die het ministerie van I&M heeft laten uitvoeren. Het onderzoek werd eind 2008 uitgevoerd door het centrum voor Milieu, Gezondheid en Omgevings-kwaliteit (MGO) van het RIVM. Ruim 1200 inwoners van Nederland deden mee aan het mondelinge vragenlijstonderzoek. Auteurs: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Hinder, bezorgdheid en woontevredenheid in Nederland : Inventarisatie verstoringen 2008 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Om een goed beeld te krijgen van de bemonsterings- en meetstrategieën van ruw- en reinwater heeft het RIVM een aantal gegevens over de bedrijfsvoering van drinkwaterbedrijven verzameld. De gegevens hebben betrekking op het geschatte aantal monsters, de bestaande meet- en analysecapaciteit en de capaciteit die tijdens een kernongeval nodig is.
Maatregelen om de drinkwaterzuivering aan te passen tijdens een nucleair ongeval zijn beperkt. De belangrijkste mogelijkheden op korte termijn zijn het besmette ruwe water door te laten stromen naar zee en de beluchting tijdens het zuiveringsproces te minimaliseren. Door recente fusieontwikkelingen in de drinkwaterwereld is de capaciteit van enkele laboratoria gecentraliseerd. De krappe capaciteit op het gebied van radio-activiteitsmetingen is een factor om in de toekomst rekening mee te houden.
Auteurs:
Rapportnummer: RIVM rapport 703719021
Jaar van uitgave: 2008 Website: Implementatie meetstrategie drinkwater bij kernongevallen (resultaten DRIMKO-project) (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Op enkele onderdelen is momenteel geen informatie beschikbaar of wordt die niet centraal ingewonnen. Dit betreft met name informatie over waterkwantiteit, infrastructuur en inrichting. Hiervoor zijn nadere afspraken nodig, met name met de (water)beheerders. Het waterbeheer ondergaat grote veranderingen, vooral als gevolg van de EU-Kaderrichtlijn Water en de implementatie van het Waterbeleid 21e eeuw. Procesinformatie over de voortgang van deze veranderingen is niet centraal beschikbaar. Voor toekomstige evaluaties is informatie nodig uit aanpalende beleidsterreinen (Milieu, Ruimtelijke Ordening, Landbouw, Natuur). De informatievoorziening zal ook op deze beleidsterreinen moeten aansluiten.
Jaar van uitgave: Website: Informatieanalyse Waterbeheer : Beleidsmonitor water (PDF) |
|||
|
|||
|
Volledige titel: Samenvatting: Als de eerste doelstelling, het volgen van veranderingen in de tijd, als belangrijkste wordt gezien, wordt geadviseerd de meetnetten niet samen te voegen en daadwerkelijk op vaste plekken te bemonsteren. Veranderingen in de bedrijfsvoering worden dan niet meegenomen. De opzet van het meetnet dat daarvoor nodig is strookt namelijk niet met een systeem van vaste meetpunten. Uit het onderzoek is eveneens gebleken dat diverse landbouwbedrijven uit het LMB de afgelopen jaren zijn afgevallen en vervangen door een soortgelijk bedrijf. Ook zijn bedrijven binnen het LMB in de tijd veranderd van bedrijfsopzet en bedrijfsoppervlak. Daarnaast is de oorspronkelijke overlap met het LMM en het BIN afgenomen. Het BIN is het Bedrijven Informatie Net van het LEI dat actuele gegevens over de bedrijfsvoering levert. Rapportnummer: Auteurs: Jaar van uitgave: Website: Integratie van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit en het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (PDF) Email:esther.wattel@rivm.nl |
|||
|
|||
|
PRISMA rapport De doelgroep van de rapportage is primair de bestuurlijke IPO-adviescommissie Milieu, Water, Landbouw en Natuur (IPO-MWLN). In het verlengde daarvan richt de rapportage zich op de colleges van Gedeputeerde Staten, Provinciale Staten en het (inter)provinciaal management. In verband met in het DUIV-overleg afgesproken rapportageverplichtingen worden ook de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Inspectie Milieuhygiëne tot de primaire doelgroepen gerekend. De rapportage wordt daarnaast ook voorgelegd aan de Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Verkeer en Waterstaat, de besturen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Unie van Waterschappen en landelijk opererende belangenorganisaties, zoals de Stichting Natuur en Milieu en het Verbond van Nederlandse Ondernemingen. Auteurs: Jaar van uitgave: Website: Interprovinciale rapportage Milieu, Water, Landbouw en Natuur (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Rapportnummer: RIVM briefrapport 680716001
Website: Inventarisatie van de gegevens-, monitor- en modelbehoefte voor de EU-Nitraatrichtlijnrapportage 2008 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Auteurs:
Rapportnummer: ISSN: 1574-4930 RIVM Rapport 500037004
Jaar van uitgave: 2004 Website: Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2002 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: In Nederland zijn tussen 2003 en 2006 Europese normen voor de luchtkwaliteit overschreden. Dit geldt in het bijzonder voor stikstofdioxide, fijn stof en ozon. Vooral in 2003 was het aantal overschrijdingen hoog, mede vanwege weersomstandigheden als langdurige droge periodes. Dit blijkt uit meetresultaten van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM.
Vooral in de jaren 2003 en 2006 waren er enkele dagen met ernstige smog door ozon (concentraties boven de Europese alarmdrempel). Deze overschrijdingen traden vooral op tijdens hittegolven. Op ongeveer de helft van de meetlocaties in straten waar het verkeer in hoge mate bijdraagt aan de stikstofdioxideconcentratie, ligt de gemiddelde concentratie per jaar boven het gestelde maximum. De concentraties stikstofdioxide op plattelandslocaties zijn de afgelopen vier jaar relatief weinig veranderd en liggen onder de norm.
De fijnstofconcentraties zijn de afgelopen drie jaar relatief constant geweest, na een piek in 2003. Voor fijn stof geldt een norm voor lang- en kortdurende blootstelling van de bevolking. Dit is een jaargemiddelde en een daggemiddelde dat slechts een aantal keer per jaar mag worden overschreden. In 2006 is op diverse locaties het maximum aantal dagen van de norm voor de kortdurende blootstelling overschreden. De jaargemiddelden van 2003 tot en met 2006 liggen onder de norm voor langdurende blootstelling. Gemeten over een langere termijn, vijftien en veertien jaar, vertonen zowel stikstofdioxide als fijn stof een duidelijke daling in de jaargemiddelde concentraties. Voor de afgelopen zeven jaar is niet te bepalen of deze trend nog steeds opgaat.
Beijk, R., D. Mooibroek en R. Hoogerbrugge
Rapportnummer: RIVM rapport 680704002
Website: Jaaroverzicht Luchtkwaliteit 2003-2006 (PDF) |
|||
|
|||
|
PRISMA rapport Volledige titel: Het jaarverslag is een product van RIVM, het ministerie van I&M, IPO, LIB en VNG. Website: Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2006 (PDF) |
|||
|
|||
|
PRISMA rapport Het jaarverslag is een product van RIVM, het ministerie van I&M, IPO, LIB en VNG. Website: Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2007 (PDF) |
|||
|
|||
|
PRISMA rapport Het jaarverslag is een product van RIVM, het ministerie van I&M, IPO, LIB en VNG. Jaar van uitgave: Website: Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2008 (PDF) |
|||
|
|||
|
PRISMA rapport Het jaarverslag is een product van RIVM, het ministerie van I&M, IPO, LIB en VNG. Jaar van uitgave: Website: Jaarverslag monitoring bodemsanering over 2009 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Dit rapport geeft de benodigde procedures waarnaar in de AMvB kan worden verwezen. De procedures zijn ontleend aan het Technical report nr.1 'The EU Water Framework Directive: statistical aspects of the identification of groundwater pollution trends and aggregation of monitoring results'. In de EU zijn discussies over procedures voor trend en trendomkering nog steeds gaande; deze kunnen leiden tot een herziening van dit rapport.
Auteurs:
Rapportnummer: RIVM rapport 607300006
Website: KRW en GWR: Handreiking trend en trendomkering PDF |
|||
|
|||
|
Samenvatting: De Europese Kader Richtlijn Water (KRW) schrijft het gebruik voor van biologische methoden om te toetsen of een watersysteem een goede ecologische toestand heeft. De ecologische toestand is niet optimaal als de samenstelling van de dier- en plantensoorten afwijkt van de referentie. Dergelijke referenties verschillen per watertypen. De aard van de afwijkingen geeft inzicht in de oorzaak van de verandering in soortensamenstelling: er verdwijnen soorten die gevoelig zijn voor een bepaalde verstoring, of er verschijnen juist soorten die hiervoor ongevoelig zijn. Een ecosysteem wordt echter beïnvloed door een verscheidenheid aan verstoringen, waarvan de effecten slechts gedeeltelijk verschillend zijn. Om de chemische kwaliteit van sedimenten in zoete getijdewateren (watertype R8) te beoordelen is in de periode 2007-2009 in opdracht van Rijkswaterstaat een biologische methode ontwikkeld. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat deze methode kan worden verbeterd door soorten met een geringe indicatiewaarde voor verontreiniging anders of niet mee te wegen. Dit onderzoek is in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd, om de R8-maatlat te verbeteren en het vertrouwen in de uitkomsten van de maatlat te vergroten. Indertijd is bij het afleiden van deze methode uitgegaan van de levensgemeenschap van soorten als geheel. Ook zijn de concentraties van individuele giftige stoffen in de sedimenten betrokken. Bij de nu uitgevoerde analyse van dezelfde meetgegevens is de reactie van individuele soorten bekeken in relatie tot enkele uiteenlopende milieufactoren en een kwantitatieve waarde voor de mate waarin het mengsel toxicanten in de betrokken sedimenten schadelijk is (toxische druk). Dit maakt het mogelijk om met grotere zekerheid de indicatiewaarde van de individuele soorten voor de aanwezigheid van toxiciteit te bepalen. Auteurs: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: KRW-maatlat macrofauna voor zoet getijdenwater (R8) - nadere analyses (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Het nitraatgehalte in het grondwater onder landbouwpercelen is in de periode van 1992 tot 2007 sterk gedaald, vooral in de zandregio's. Daar daalde de gemiddelde concentratie van 140 mg/l naar 75 mg/l. Ook in de kleiregio's zijn de gehaltes gedaald en lagen ze in deze periode ruim onder de norm van 50 mg/l. In de veenregio's is altijd weinig nitraat in het grondwater aanwezig geweest. Sinds 1992 is de chlorofyl-a concentratie (een indicator voor mate waarin het water eutrofieert) in regionale oppervlaktewateren die door de landbouw worden beinvloed constant gedaald. De gemiddelde nitraatconcentratie in de winterperiode in het zoete oppervlaktewater vertoont een afname sinds 1998. Zowel nitraatgehaltes in, als de eutrofiering van het water neemt af. Het duurt echter enkele jaren voordat effecten van beleidsmaatregelen door boeren in de waterkwaliteit waarneembaar zijn. Verwacht wordt dat de effecten van de recente beleidsmaatregelen uit het huidige actieprogramma (2004-2009) pas over een aantal jaren te zien zullen zijn in de waterkwaliteit. Het is daarom te verwachten dat de waterkwaliteit pas in de periode 2010-2015 verder verbeterd.
Auteurs: RIVM rapport 680716003
Jaar van uitgave: Website: Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland, periode 1992-2006 (PDF) |
|||
|
|||
|
Volledige titel:
De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het stikstofgebruik via dierlijke mest te beperken tot maximaal 170 kg per hectare. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen hiervan onder voorwaarden af te wijken. Nederland heeft in december 2005 toestemming gekregen om vanaf 2006 tot en met 2009 onder voorwaarden af te mogen wijken van de gestelde norm. Dit betekent dat landbouwbedrijven 250 kilo stikstof per hectare mogen toedienen via dierlijke mest afkomstig van graasdieren (vooral koeien). Een van die voorwaarden is dat minimaal 70 procent van het totale areaal grasland is. Daarnaast is de Nederlandse overheid verplicht een monitoringnetwerk in te richten en de Commissie over de resultaten daarvan te rapporteren. De driehonderd deelnemers die worden gevolgd, zijn een steekproef van de circa 27.000 Nederlandse landbouwbedrijven die zich hebben aangemeld voor derogatie. Het netwerk is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM).
Rapportnummer:
Jaar van uitgave: 2007 Website: Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor de derogatie. Beschrijving meetnetopzet 2006-2009 (PDF) |
|||
|
|||
|
Volledige titel: Samenvatting: Auteurs: Jaar van uitgave:
Website: Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie: resultaten 2008 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum (de gebruiksnorm dierlijke mest van 170 kg N/ha). Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft in december 2005 derogatie gekregen om van 2006 tot en met 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm. Deze derogatie is op 5 februari 2010 verlengd tot en met 2013. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het LEI, onderdeel van Wageningen UR, hebben in 2006 voor Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Van 275 graslandbedrijven is de bedrijfsvoering gemonitord en van 285 bedrijven de waterkwaliteit. Het meetnet omvat 300 graslandbedrijven. Dat er minder dan 300 bedrijven zijn gerapporteerd komt doordat sommige bedrijven achteraf geen derogatie toepasten of toegekend kregen en komt ook door bedrijfswisselingen in het meetnet. Auteurs: Jaar van uitgave: Rapportnummer: Website: Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie: resultaten meetjaar 2009 in het derogatiemeetnet (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Auteurs: Website: Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit: resultaten tweede meetronde 1999-2003 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Het LMB wordt in samenwerking met LEI-DLO en Alterra uitgevoerd. Jaarlijks wordt een 2-tal combinaties van bodemgebruik en grondsoort bemonsterd, bestaande uit ca. 20 locaties per combinatie. De categorieën die in 1997 zijn onderzocht, zijn graslandbedrijven op zeeklei en tuinbouw- en bollenbedrijven op klei en zand. Naast algemene kwaliteitsparameters zijn parameters onderzocht die gerelateerd zijn aan de milieuthema's vermesting en verspreiding. Voor beide categorieen geldt dat de categoriegemiddelde metaalgehalten in de bodem beneden de streefwaarde liggen. In het grondwater geldt dat in de categorie grasland op zeeklei de categoriegemiddelde metaalconcentraties beneden de streefwaarden liggen, in de categorie tuinbouw liggen de categoriegemiddelde concentraties van enkele metalen boven de streefwaarden. Voor een groot aantal individuele PAK liggen in beide categorieën de locatiegemiddelde gehalten boven de streefwaarde. Voor de categorie grasland liggen de categoriegemiddelde gehalten aan HCB in de bodem boven de streefwaarde. Voor de categorie tuinbouw geldt dit voor HCB, beta-endosulfan en de som-DDT, op de bollenbedrijven geldt dit voor HCB en dieldrin. Op de graslandbedrijven liggen de categoriegemiddelde concentraties aan orthofosfaat, chloride, sulfaat en kalium in het bovenste grondwater boven de normen, op de tuinbouwbedrijven geldt dit voor orthofosfaat, nitraat, sulfaat en kalium, op de bollenbedrijven geldt dit voor totaal- en orthofosfaat, ammonium, chloride, sulfaat en kalium. Het overschot aan N is op de bemonsterde graslandbedrijven vergelijkbaar met het gemiddelde graslandbedrijf, het P-overschot is lager. Uit het zware metalen-overschot verminderd met de berekende uitspoeling op basis van de categoriegemiddelde concentraties aan zware metalen in het grondwater blijkt dat op de grasland- en bollenbedrijven sprake is van accumulatie van cadmium, koper, zink en lood in de bodem. Auteurs: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit; Resultaten 1997 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) heeft als doelstelling het beschrijven en verklaren van de huidige bodemkwaliteit en veranderingen daarvan in het landelijk gebied van Nederland onder invloed van diffuse belasting. De eerste meetronde is in 1993 gestart en beëindigd in 1997. De tweede meetronde vindt van 1999 t/m 2003 plaats. In dit rapport worden de resultaten van de eerste meetronde samengevat.
In de meeste landbouwgronden treedt momenteel accumulatie van zink, lood, koper en cadmium op, vooral door bemesting. Op een termijn van enkele tot tientallen jaren zal vooral bij koper en cadmium het oppervlak met overschrijding van de streefwaarde toenemen. Op kleine schaal hebben de huidige gehalten aan zware metalen in landbouwbodems tot gevolg dat gewaskwaliteitsnormen overschreden kunnen worden. In de komende decennia zal, als gevolg van de voortgaande accumulatie, het oppervlak met overschrijding van gewaskwaliteitsnormen verder toenemen. In sommige akkerbouwpercelen liggen de gehalten aan lindaan, DDT en drins momenteel nog boven de LAC-signaalwaarde. Omdat deze middelen niet meer gebruikt worden, zullen de gehalten in de bodem (langzaam) dalen.
Website: Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit; Resultaten eerste meetronde 1993-1997 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft toestemming gekregen om van 2006 tot en met 2009 af te mogen wijken van de gestelde norm. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Landbouw Economisch Instituut (LEI) hebben in 2006 in Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenaamde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken (derogatie) van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet omvat driehonderd graslandbedrijven. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM).
Rapportnummer:
2008 Website: Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid: resultaten van de monitoring van waterkwaliteit en bemesting in meetjaar 2006 in het derogatiemeetnet (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
De monsters van de vloeivelden Tilburg voldeden het best aan de doelstelling om een uitgebreide TRIADE-beoordeling uit te voeren langs een gradiënt van matig verontreinigde gronden. De methodiek gaf ook hier een gradatie in effecten weer. Er zijn een groot aantal bodemecologische metingen uitgeprobeerd. De meeste gaven onderscheid tussen de monsters. De waargenomen effecten waren kleiner dan op grond van het TRIADE-onderdeel chemie verwacht zou worden. De keuze van een goede referentie blijkt een belangrijk en kritisch aspect in de beoordelingsmethodiek.
Auteurs:
Rapportnummer:
Website: Locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling - praktijkonderzoek met de TRIADE-benadering deel 2 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
De resultaten van het onderzoek geven een beeld van de huidige motieven die drinkwaterbedrijven hanteren voor het opzetten van hun meetprogramma bestrijdingsmiddelen. Aspecten die keuze van het bestrijdingsmiddelenpakket beïnvloeden zijn onder meer: kennis over gebruik van middelen in de omgeving, de kwetsbaarheid van de winning, het analyse-aanbod van het waterlaboratorium en meetfrequenties die tussen VEWIN en VROM zijn afgesproken. Aan de hand van deze uitkomsten zijn voor grondwater en oppervlaktewater twee aparte protocollen opgesteld. Hierin zijn de volgende aspecten opgenomen: - beschrijving ruwwater bron; - kwetsbaarheidanalyse van de winning; - inventariseren van relevante middelen; - meetfrequentie; - analysetechniek.
De eenduidigheid en inzichtelijkheid in de keuze van middelen, de meetfrequenties en de achterliggende strategieën worden door het volgen van een protocol vergroot. Dit vereenvoudigt tevens de jaarlijkse controle op die meetprogramma's door de VROM-Inspectie.
Auteurs:
Rapportnummer:
Website: Meetstrategie bestrijdingsmiddelen voor de drinkwaterbedrijven (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Website: Meting van 220Rn en consequenties voor eerdere 222Rn-surveys: VERA-onderzoek (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Geconcludeerd moet worden dat de beschikbare veldgegevens niet voldoende zijn om de parameter selectie in de modellen te valideren of te verwerpen. Een lysimeter studie met sulfachloropyridazine is gebruikt om de functionele validatie van het grondwatermodel PEARL uit te voeren. Een simulatiefout van 0,02 werd bepaald, hetgeen betekent dat de berekende waarden een factor 50 verschillen van de gemeten waarden. In deze studie worden twee factoren voor onzekerheid in de simulatie onderscheiden. Ten eerste, het voortijdig beëindigen van de studie belemmert de volledige expressie van het neerwaartse transport. Ten tweede, de onzekerheid in de adsorptieprocessen en -parameter is van groot belang voor een betrouwbare simulatie. Ondanks de tekortkomingen van de casus is de potentiële bruikbaarheid van uitspoelingsmodellen voor gewasbeschermingsmiddelen in het algemeen en van PEARL in het bijzonder aangetoond. Rapportnummer:
Jaar van uitgave: 2003
Website: Milieurisicobeoordeling voor diergeneesmiddelen deel 3. Modelvalidatie (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
De vraagstelling in dit rapport is hoe effecten van milieudruk op de vegetatie in indicatoren uitgedrukt kunnen worden. Daartoe is langs een drietal lijnen de indicatiewaarde van de vegetatie onderzocht: Hoe verschillen de huidige indicatiewaarden met een historische vergelijking uit de periode 1900-1950?; doel is om de huidige vegetaties en hun indicatiewaarden in context te zetten; Hoe veranderen de indicatiewaarden van de vegetatie over de huidige stikstof depositiegradiënt? Hoe verandert de biomassa van de vegetatielagen over de huidige depositiegradiënt?
Uit de ontwikkelde indicatoren blijkt dat in de recente situatie de omvang van de vegetatielagen een gevoelige parameter in de hier onderzochte systemen is (het zijn alle relatief arme systemen op zandgronden). De toename van een vegetatielaag hangt direct samen met een toename van de biomassa van die laag, een effect dat gelieerd is aan de voedselverrijking door stikstofdepositie. De geringe veranderingen in Ellenberg-indicatie over de depositiegradiënt laat zien dat veranderingen in soortsamenstelling (sturende factor achter de verandering van Ellenberg-indicatie) minder gevoelig zijn. De analyse van veranderingen ten opzichte van een historische situatie laat wel degelijk veranderingen in soortsamenstelling zien. Op de arme zandgronden van de open duinen en op de heide zijn twee trends te zien, ten eerste een toename van soorten van voedselrijkere standplaatsen en ten tweede een toename van soorten met een bredere tolerantie voor zuur. Daarbij zijn de soorten met een brede zuurtolerantie ook soorten die bevoordeeld worden door voedselverrijking, namelijk grassen als pijpestrootje en duinriet.
Auteurs:
Rapportnummer:
Jaar van uitgave: 2005 Website: Milieu-indicatoren op basis van Landelijk Meetnet Flora Milieu- en Natuurkwaliteit (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
In opdracht van het ministerie van VROM inventariseerde het RIVM de milieubelasting in stedelijke gebieden. Hierbij werd gekeken naar luchtkwaliteit, geluid, bodem en externe veiligheid. Bij de inventarisatie is naar stedelijke postcodegebieden gekeken waarin zich woningen met een kritieke milieubelasting bevinden. Uit de inventarisatie blijkt dat veel woningen in stedelijke gebieden een overschrijding van kritische grenswaarden voor milieubelasting ondervinden. De overschrijding wordt vaak veroorzaakt door luchtvervuiling, in de vorm van hoge concentraties fijn stof en stikstofdioxide, en lawaai van weg- en railverkeer. Vooral in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, Utrecht en Noord-Brabant spelen deze problemen.
Deelkaarten in dit rapport geven per postcodegebied aan welke milieuproblemen zich ter plaatse voordoen en hoe ernstig deze zijn. De kaarten bieden beleidsmakers en planologen een overzicht van de gebieden die in milieutechnisch opzicht aandacht vragen.
Rapportnummer:
Jaar van uitgave: 2007 Website: Milieuaandachtsgebieden (PDF) |
|||
|
|||
|
In de Milieubalans 1999 wordt de balans opgemaakt van actuele ontwikkelingen in de milieudruk (emissies en afval) en milieukwaliteit (water, bodem, lucht) tegen de achtergrond van het gevoerde milieubeleid en maatschappelijke ontwikkelingen. De eindverantwoordelijkheid voor de inhoud van de Milieubalans 1999 ligt bij het RIVM. Klik hier voor het hele rapport (pdf). Website: Milieubalans 1999 (PDF) Email:info@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Jaarlijkse publicatie van het Planbureau voor de Leefomgeving. Samenvatting editie 2004: Website: Milieubalans 2004 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Dit rapport beschrijft een methode die de effecten schat van Nederlandse emissies van prioritaire stoffen op de volksgezondheid en ecosystemen. Prioritaire stoffen vormen een dusdanig gevaar voor het milieu, dat met voorrang emissiereducerende maatregelen zijn getroffen om dat gevaar te verminderen. De methode berekent zogenaamde MilieuEffectIndicatoren (MEI) en is ontwikkeld om te toetsen of de doelstellingen van het Nederlandse milieubeleid gehaald zijn.
De eerste milieueffectindicator, de MEI/eco, schat het verlies van soorten organismen in het Nederlandse oppervlaktewater als gevolg van emissies van prioritaire stoffen. Uit een toetsing blijkt dat het effect van prioritaire stoffen op de soortensamenstelling in de periode 1990-2003 ongeveer is gehalveerd. Op basis van de Nederlandse emissies wordt het verlies van soorten in 1990 geschat op 3,2% en in 2003 op 1,8%. De MEI/eco wordt berekend op basis van geschatte blootstelling, de gevoeligheid van soorten voor bepaalde stoffen en de giftigheid van bepaalde stofmengsels. De tweede milieueffectindicator, de MEI/vgz, schat het effect van emissies van prioritaire stoffen op de volksgezondheid. Uit een analyse van de situatie in Nederland blijkt dat de impact van de prioritaire stoffen op de volksgezondheid met ongeveer eenderde is afgenomen. Het effect wordt uitgedrukt in het verlies aan DALY's (Disability Adjusted Life Years), ofwel het aantal gezonde levensjaren dat een populatie verliest door ziekten of voortijdig overlijden. Het effect van de Nederlandse emissies wordt geschat op een verlies van 59.000 DALY in 1990 en 42.000 DALY in 2003. De MEI/vgz wordt berekend op basis van geschatte blootstelling, de ziekteverwekkende eigenschappen van bepaalde stoffen en epidemiologische gegevens.
Auteurs:
Rapportnummer:
Jaar van uitgave: 2006 Website: Milieueffectindicatoren voor prioritaire stoffen (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Om het energiebesparingsgedrag van bedrijven in kaart te brengen en te kwantificeren heeft het RIVM in samenwerking met de Universiteit van Utrecht en de Vrije Universiteit Amsterdam het Model Effectiviteit Instrumenten - Energie (MEI-Energie) ontwikkeld. Het model beoogt een raamwerk te bieden voor consistente en methodische analyses van historische en toekomstige energiebesparing, met speciale aandacht voor de doorwerking en effectiviteit van het overheidsbeleid. MEI-Energie simuleert het besluitvormingsproces binnen industriële sectoren om al dan niet te investeren in energiebesparende technieken. Het rapport beschrijft de structuur en de algoritmes van het model, en gaat tevens in op de resultaten van een eerste validatie. Daartoe is voor een drietal industriële sectoren de ontwikkeling van de besparing op het finale energiegebruik in de periode 1990 tot 1999 gesimuleerd; de resultaten zijn vervolgens vergeleken met cijfers die gebaseerd zijn op waarneming.
Auteurs:
Rapportnummer:
Jaar van uitgave: Website: Model Effectiviteit Instrumenten - Energie; Mechanismen, data en validatie (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Het model kan op verschillende schalen worden toegepast. De prestaties van het model zijn getoetst in een studie in het Beerze Reusel gebied. In het algemeen bleek dat de overeenkomst tussen de gemiddelde diepte van het grondwaterpeil, zoals berekend met SWAP, goed overeenkwam met de gemiddelde diepte van het grondwaterpeil, zoals berekend met LGM. Het bleek echter ook dat de seizoensdynamiek onderschat werd door LGM. Nadere studie leerde dat dit veroorzaakt werd doordat de zogenaamde freatische bergingscoëfficiënt onjuist van SWAP naar LGM werd overgedragen. Nadat dit hersteld was, was er een nagenoeg perfecte overeenkomst tussen de grondwaterstand berekend door SWAP en de grondwaterstand berekend door LGM. Een aanvullende studie moet aantonen in hoeverre de berekende grondwaterpeilen overeenkomen met de gemeten grondwaterpeilen. Deze studie moet aangeven of het gecombineerde model de hydrologische basis kan leveren voor verdrogingstudies en waterkwaliteitsberekeningen, zoals door het Milieu- en Natuurplanbureau worden uitgevoerd.
Rapoprtnummer:
Jaar van uitgave: Website: Modellering van de interactie tussen de waterstroming in de bodem en het grondwater - Koppeling van LGM en SWAP (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: In de PKB Schiphol is vastgelegd dat een monitoringsysteem ontwikkeld dient te worden om eventuele veranderingen in milieukwaliteit en/of in de gezondheidstoestand van de bevolking bij uitbreiding van de luchthaven te signaleren. In dit rapport worden overwegingen bij en criteria voor het ontwerp van dit programma beschreven. De doelstelling van het monitoring-programma in het kader van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol (GES) is als volgt geformuleerd: het periodiek bepalen van de milieubelasting samenhangend met de activiteiten van de luchthaven Schiphol en van de milieu-gerelateerde gezondheids-toestand van omwonenden, om eventuele veranderingen in milieukwaliteit en de lange termijn gezondheidseffecten daarvan te kunnen vaststellen. Met de resultaten van het programma kunnen belanghebbenden van sturingsinformatie worden voorzien bij hun afwegingen over de ontwikkeling van de luchtvaart.
Voorgesteld wordt voor het monitoringsysteem een combinatie van gegevensbronnen te gebruiken. De kern van het monitoringsysteem is een specifieke periodieke gegevensverzameling met methoden zoals ook gebruikt in fase II van de GES. Hierbij kan het meest adequaat voor andere determinanten worden gecorrigeerd en is een koppeling van de milieubelasting aan individuele onderzoeksdeelnemers mogelijk. Om de nadelen van een beperkte dekking van het onderzoeksgebied en van de deelname van geselecteerde groepen uit de bevolking te ondervangen, wordt geadviseerd, daar waar mogelijk, gegevens uit bestaande nationale en lokale registraties te betrekken.
Auteurs: Lebret, E,. D.J.M. Houthuijs en C.M.A.G. van Wiechen Rapportnummer: 441520018 (RIVM rapport) Jaar van uitgave: 2001 Website: Monitoring van de milieubelasting en gezondheid rondom de luchthaven Schiphol. Fase III van de Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Rapportnummer:
Website: Naar een richtlijn voor locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling met de TRIADE (PDF) |
|||
|
|||
|
Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving. Samenvatting: Het Natuurbeleidsplan uit 1990 heeft veel in gang gezet. Voor de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een samenhangend netwerk van natuurgebieden, zijn er op 36.000 ha beheersovereenkomsten met agrariers afgesloten. Verder zijn er 44.000 ha grond gekocht en overgedragen aan terreinbeherende organisaties als Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. Deze realisatie gaat langzamer dan gepland. Op basis van het huidige tempo zal de EHS niet in 2018 gereed zijn, zoals het beleid beoogt, maar in 2030. De komende jaren zal meer inzet en geld nodig zijn om de verder stijgende grondprijs op te vangen en binnen de EHS gelegen landbouwbedrijven te bewegen tot herplaatsing of bedrijfsbeeindiging. De natuurkwaliteit in Nederland gaat nog steeds achteruit. De trend blijft dat algemene soorten algemener worden en zeldzame soorten zeldzamer. De kwaliteit van natuur wordt beperkt door de geringe samenhang tussen natuurgebieden en de negatieve be6nvloeding door andere functies, waaronder infrastructuur en landbouw. Ook is er, bijvoorbeeld in het Deltagebied, weinig ruimte voor natuurlijke processen zoals het periodiek overstromen en droogvallen van gebieden. Hier en daar worden wel resultaten van het ingezette beleid zichtbaar. Voorbeelden zijn de succesvolle uitvoering van het Soortbeschermingsplan Lepelaar en het meer natuurlijk beheer van bossen. De afname van met name kwetsbare open landschappen van internationale waarde is zorgwekkend. Toekomstige verstedelijking bedreigt deze gebieden. Onlangs heeft de overheid de nota Belvedere opgesteld, waarin aandacht wordt besteed aan cultuurhistorisch waardevolle landschappen. In het huidige landschapsbeleid, waar cultuurhistorie een onderdeel van is, ontbreekt echter een gecombineerde inzet van planologische bescherming en gerichte investeringen voor het inpassen van nieuwe verstedelijking. Rapportnummer: Website: Natuurbalans 1999 (PDF) |
|||
|
|||
|
Jaarlijkse uitgave van het Planbureau van de Leefomgeving. Op Europees niveau is een lijst van internationaal te beschermen planten- en diersoorten samengesteld. Nederland is hiervoor verplichtingen aangegaan die zijn vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn van de Europese Unie. Om het maatschappelijke draagvlak voor dit soortenbeleid te vergroten en het beleid hanteerbaar te maken moet meer zicht komen op het verband tussen het voorkomen van individuen en populaties van soorten en de ligging van hun leefgebieden. Voor het bereiken van de natuurdoelen is ordening van de groene ruimte nodig om het beoogde samenhangende netwerk van natuurgebieden, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) te realiseren. Het aanbod van aan te kopen grond voor de realisatie van de EHS neemt de laatste drie jaar toe. De nieuwe regering heeft het voornemen het jaarlijkse budget voor de aankoop van grond te halveren en meer particuliere eigenaren in te zetten bij het ontwikkelen en beheren van natuur. Langjarige contracten met deze particulieren kunnen een bijdrage aan de natuurdoelen leveren, maar blijken nauwelijks goedkoper dan aankoop. Ook vergt een samenhangende EHS, indien minder grond voor natuurontwikkeling wordt opgekocht, een goede ruimtelijke bescherming. Rapportnummer: Website: Natuurbalans 2002 (PDF) |
|||
|
|||
|
Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving.
Samenvatting:
Rapportnummer: Website: Natuurbalans 2003 (PDF) |
|||
|
|||
|
Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving. Samenvatting: Rapportnummer: Website: Natuurbalans 2000 (PDF) |
|||
|
|||
|
Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving. Samenvatting: De Natuurbalans 2001 meldt dat het met de kwaliteit van de natuur in Nederland nog steeds slecht gaat. Zo staat ongeveer een kwart van de plantensoorten en tweederde van de dagvlindersoorten op de Rode Lijst. Bijzondere planten- en diersoorten zijn teruggedrongen tot kleine kernen van natuurgebieden. Vermesting, verzuring, verdroging en versnippering staan op veel plaatsen de terugkeer van deze soorten nog steeds in de weg. Het is dan ook niet toevallig dat lokale successen van het natuurbeleid juist zichtbaar zijn in grotere eenheden natuur die op enige afstand liggen van verzurende en vermestende landbouwbedrijven en waar voldoende water van goede kwaliteit aanwezig is. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in het duingebied en sommige beekdalen, zoals Drentsche Aa, Reest en Geuldal. Hier komen allerlei kieskeurige plantensoorten terug; in de duinen gaat het om soorten als borstelbies en waterpunge. In veel natuurgebieden kunnen bijzondere soorten alleen met intensief beheer in stand worden gehouden. Het is dan ook te verdedigen dat de rijksoverheid inzet op de vorming van de Ecologische Hoofdstructuur. Een positieve ontwikkeling hierbij is dat het natuurbeleid van rijk en provincies niet langer gaat over het aantal hectares Ecologische Hoofdstructuur alleen, maar ook over de kwaliteit van de natuur. Rijk en provincies stellen de natuurdoelen die zij willen realiseren vast. Overigens dreigen hier conflicten met het natuurbeleid van de Europese Unie, zoals dat in de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn is beschreven. De Europese Unie legt namelijk het accent op behoud van planten- en diersoorten binnen én buiten natuurgebieden, terwijl het Nederlandse beleid het accent legt op de ontwikkeling van nieuwe natuur. Deze verschillen hebben al geleid tot conflicten. Het conflict over de korenwolf in Limburg is een voorbeeld van het accentverschil rond bescherming van soorten buiten natuurgebieden. Conflicten over natuurontwikkeling in Friesland-buitendijks en compensatie van natuur in de Westerschelde zijn beide voorbeelden van het accent dat de Europese Unie legt op behoud van planten- diersoorten versus het Nederlandse accent op ontwikkeling van nieuwe natuur. Rijk en provincies gebruiken de natuurdoelen om beheerders (zoals Natuurmonumenten en de provinciale Landschappen) af te rekenen op het bereikte natuurresultaat. Het zijn echter niet alleen de terreinbeheerders die invloed hebben op de realisatie van natuurkwaliteit. Ook de provincies hebben veel invloed door middel van het milieu-, water- en ruimtelijk beleid. Waterschappen horen zorg te dragen voor voldoende goed water voor natuurgebieden en gemeenten kunnen via hun bestemmingsplannen de planologische bescherming van natuurgebieden bepalen door beperkingen op te leggen aan onder meer bebouwing en wegenaanleg. Terwijl rijk en provincies harde afspraken maken met beheerders is het onzeker of provincies, waterschappen en gemeenten bereid zijn om hun water-, milieu- en ruimtelijk beleid af te stemmen op de natuurdoelen die het rijk en de provincies momenteel op kaart zetten. Het rijk laat dit namelijk over aan het krachtenveld op provinciaal en gemeentelijk niveau, terwijl de Nederlandse overheid wel verantwoording aan de Europese Unie schuldig is over de realisatie in de Habitat- en Vogelrichtlijn vastgelegde natuurdoelen. Buiten de natuurgebieden gaan soorten zoals de grutto en de steenuil hard achteruit en gaat de vervlakking van het landschap door. Ook voor het landschapsbeleid geldt dat het Rijk veel overlaat aan het provinciaal en gemeentelijk niveau. Zo'n 80 procent van de waardevolle landschappen komt in de zogenoemde balansgebieden van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening terecht. Daarvan dreigt voor ongeveer 20 procent een hoge verstedelijkingsdruk. Juist in de directe omgeving van de Randstad, waar de verstedelijkingsdruk het hoogst is, liggen open landschappen die internationaal gezien grote betekenis hebben. Voorbeelden daarvan zijn droogmakerijen en veenweidegebieden. Zolang het Rijk voor het landschap geen heldere prioriteiten stelt, zal de regionale identiteit verder afkalven. Niet alleen op het land, ook voor het water geldt dat de rijksoverheid internationale verantwoordelijkheden heeft. Dat geldt in het bijzonder voor de kustzone. Hier concentreren zich veel zeldzame vissoorten en andere diersoorten. Juist in de kustzone heeft het kabinet plannen voor de ontwikkeling van een tweede Maasvlakte, een windmolenpark (en wellicht toch een luchthaven in zee). De kabinetsnota 'Natuur voor mensen, mensen voor natuur' kondigt aan dat in 2002 voor de Noordzee concrete ecologische kwaliteitsdoelen zijn geformuleerd. De afstemming van het economisch en veiligheidsbeleid op biodiversiteitsdoelen is een volgende noodzakelijke stap. Of die stap daadwerkelijk wordt gezet, is afhankelijk van de inzet van het ministerie van LNV en andere departementen. Rapportnummer: Website: Natuurbalans 2001 (PDF) |
|||
|
|||
|
Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving.
Rapportnummer: Website: Natuurbalans 2004 (PDF) |
|||
|
|||
|
Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving. Niet alleen de biodiversiteit, maar ook het Nederlandse landschap staat onder druk. In een kwart van Nederland wordt de belevingswaarde van het landschap negatief beïnvloed door verstedelijking. In de praktijk blijkt het ruimtelijk beleid nauwelijks bescherming te bieden aan de kwaliteit van het landschap. Bovendien is er minder geld beschikbaar dan nodig is om de hooggespannen verwachtingen van de rijksoverheid waar te maken rond het beleid voor de Nationale Landschappen. Rapportnummer: Website: Natuurbalans 2005 (PDF) |
|||
|
|||
|
Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving.
Samenvatting: Website: Natuurbalans 2006 (PDF) |
|||
|
|||
|
Jaarlijkse publicatie van het Planbureau voor de Leefomgeving. Samenvatting: Website: Natuurbalans 2007 (PDF) |
|||
|
|||
|
Jaarlijkse publicatie van het Planbureau voor de Leefomgeving. Samenvatting: RIVM rapport 500402008 Website: Natuurbalans 2008 (PDF) |
|||
|
|||
|
Jaarlijkse publicatie van het Planbureau voor de Leefomgeving. Samenvatting: Rapportnummer: Website: Natuurbalans 2009 (PDF) |
|||
|
|||
|
Jaarlijkse uitgave van het Planbureau voor de Leefomgeving. Samenvatting: Rapportnummer: Website: Natuurbalans 1998 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Rapportnummer: Website: Natuurverkenning 2 (2000 - 2030) (PDF - let op, groot bestand) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Auteurs:
Jaar van uitgave: Website: Nederlandse broeikasgasemissies. 1990-2001. Nationaal Inventarisatie Rapport 2003 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Auteurs:
Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Nederlandse broeikasgasemissies. 1990-2000. Nationaal Inventarisatie Rapport 2002 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Auteurs:
Rapportnummer: Jaar van uitgave:
Website: Nederlandse broeikasgasemissies 1990-2002. Nationaal Inventarisatie Rapport 2004 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Auteurs: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Nederlandse broeikasgasemissies 1990-2003 - Nationaal Inventarisatie Rapport 2005 (PDF) |
|||
|
|||
|
PRISMA rapport Nitraatconcentraties in bodemvocht en grondwater afkomstig uit 8 provinciale meetnetten zijn verzameld. Gemiddeld zijn er per provincie van vier jaar meetgegevens beschikbaar. Onderzocht is of de neerslagcorrectiemethode, die door het RIVM wordt gebruikt, aangepast kan worden voor de provinciale gegevens. De methode is bruikbaar als hiermee jaarlijkse variaties in gemeten nitraatconcentraties voornamelijk toegeschreven kunnen worden aan natuurlijke omstandigheden. Auteurs: Jaar van uitgave: Website: Neerslagcorrectiemethode voor provinciale nitraatgegevens (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: De nitraatconcentratie in het bovenste grondwater van landbouwbedrijven in de zandregio is tussen 1992 en 2009 met meer dan 50% afgenomen, van 150 tot 65 milligram per liter. Het stikstofoverschot is in deze periode met 50% afgenomen. Dit is het gevolg van maatregelen uit het mestbeleid, zoals de afname van het gebruik van dierlijke en kunstmest op de weilanden. De nitraatconcentratie is procentueel meer afgenomen dan het stikstofoverschot, waarschijnlijk doordat er minder koeien in de wei staan. Door beweiding met koeien komt er via hun mest meer nitraat in het grondwater dan wanneer deze mest in de stal wordt verzameld en daarna gelijkmatiger over de weide wordt verspreid. Dit blijkt uit een analyse van de resultaten van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het LMM is een meetnet van het RIVM en het LEI, onderdeel van Wageningen University and Research Centre, dat in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu en het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt uitgevoerd. Met het mestbeleid wordt gestreefd naar een nitraatconcentratie van minder dan 50 milligram per liter in het grondwater. Een bijkomend resultaat van dit onderzoek is dat de methode is verbeterd om beleidseffecten op de nitraatconcentratie in beeld te brengen voor de Nederlandse en Europese overheid. Dit komt vooral doordat nieuwe inzichten in de methode zijn verwerkt. Behalve het mestbeleid hebben veranderingen in het weer (jaarlijks neerslagoverschot) invloed op de gemiddelde nitraatconcentratie van de zandregio, evenals veranderingen in de jaarlijkse samenstelling van de groep landbouwbedrijven waar is bemonsterd. Hetzelfde geldt voor de jaarlijkse veranderingen van het areaal landbouwgrond per type landbouwbedrijf. Een statistische techniek, Residual Maximum Likelihood, houdt rekening met deze invloeden. Auteurs: Jaar van uitgave: Rapportnummer: Website: Nitraatconcentraties in het bovenste grondwater van de zandregio en de invloed van het mestbeleid (PDF) |
|||
|
|||
|
Volledige titel: Auteurs: Jaar van uitgave: Website: Nulmeting van het NSL-monitoringsprogramma (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Auteurs:
Rapportnummer:
Jaar van uitgave: Website: Onzekerheidsanalyse van de NOx emissie van Nederlandse personenauto's in 1998 (PDF) |
|||
|
|||
|
Volledige titel: Samenvatting: Auteurs: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Opties voor een nitraatdieptemeetnet voor het meten van nitraat in de bovenste vijf meter van het grondwater (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Van de meeste stoffen waarvan de emissies moeten worden gerapporteerd, is dat het geval. Van een aantal stoffen waarover het niet verplicht is te rapporteren, zijn de emissies en de concentraties in het milieu niet goed bekend (D-stoffen). Dit betreft vooral stoffen die geen eenduidige bron hebben (diffuse bronnen). Voorbeelden zijn enkele gewasbeschermingsmiddelen en gechloreerde paraffines, die onder andere als vervangers van pcb's in de metaalindustrie worden gebruikt en als weekmakers in plastic. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VROM. Aanleiding is de voortgangsrapportage van VROM over het milieubeleid voor Nederlandse prioritaire stoffen, die naar verwachting in 2011 verschijnt. In deze rapportage staat onder andere de status van prioritaire stoffen vermeld (A-stof: de milieuconcentratie is problematisch, B-stof: de milieuconcentratie is minder problematisch, C-stof: de milieuconcentratie is niet problematisch). Het is de bedoeling om in 2011 van alle Nederlandse prioritaire stoffen te weten of de milieuconcentratie problematisch is of niet. Het RIVM geeft in het onderzoek aan wat nodig is om deze kennis te verkrijgen. Zo is meer inzicht nodig in de emissies en milieuconcentraties van D-stoffen. Daarvoor houdt het bedrijfsleven in 2010 een enquete waarin de industrie wordt gevraagd welke D-stoffen substantieel worden uitgestoten. Als daaruit blijkt dat nog onbekende stoffen substantieel worden uitgestoten, kunnen ze eventueel aan het monitoringsprogramma worden toegevoegd. Auteur: Website: Opzet monitoring Nederlandse prioritaire stoffen (PDF) |
|||
|
|||
|
Volledige titel: Fraters, B. en L.J.M. Boumans
Rapportnummer:
Jaar van uitgave: Website: De opzet van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid voor 2004 en daarna (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Doel van het rapport is de betrokken meetinstanties te ondersteunen met een overzicht van de prestaties van verschillende meetmethoden. Daarnaast draagt het rapport bij tot het proces van normaliseren en/of harmoniseren van meetmethoden.
Auteurs:
Rapportnummer:
Jaar van uitgave:
Website: Overzicht van onderzoek naar automatische meetmethoden voor het vaststellen van fijn stof (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Rapportnummer: RIVM Rapport 773001029
Jaar van uitgave: Website: PIE-EXCEL Platform voor Integrale Energie- en emissieverkenningen. Technische beschrijving (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Als eerste zijn de procedures, meetconfiguraties en instellingen in het meetnet grondig doorgelicht. De bevindingen van de doorlichting van het meetnet hebben geleid tot een hervalidatie. Het effect van deze hervalidatie op de metingen is gering, maar heeft wel geleid tot een vermindering van de meetonzekerheid.
De tweede activiteit is het uitgevoerde equivalentieonderzoek. In dit onderzoek is de gelijkwaardigheid tussen de automatische PM10-metingen in het LML en de door de EU voorgeschreven referentiemethode aangetoond. Aan de hand van dit onderzoek is voor de PM10-metingen een nieuwe en nauwkeurigere kalibratie bepaald zodat niet langer de interim kalibratiefactor van de EU toegepast hoeft te worden. Het aantonen van de equivalentie tussen de automatische meetmethode en de referentiemeetmethode is volledig gebaseerd op de aanbevelingen die de Clean Air For Europe (CAFE) steering group begin 2006 heeft vastgesteld zodat Nederland geheel conform de Europese voorschriften werkt.
In het equivalentieonderzoek zijn kalibratiefuncties voor verschillende apparaattypen voor regionale en stedelijke locaties bepaald. De consequentie voor de jaargemiddelden van regionale stations na 2003, die gebruikt zijn voor de Generieke Concentraties voor Nederland (GCN-kaarten) in 2006, is een daling van minder dan 1 mug/m3. Met de hervalidatie van meetdata en de resultaten van het equivalentieonderzoek zijn onzekerheden in de PM10-metingen verkleind en voldoen de metingen aan de gestelde kwaliteitseisen.
Auteurs:
Rapportnummer: RIVM rapport 680708001
Jaar van uitgave:
Website: PM10: Validatie en equivalentie 2006 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Correcte herkenning van het type geluid blijkt een noodzakelijke en tevens voldoende voorwaarde te zijn om trends in de geluidbelasting in het buitengebied via doorlopende, onbemande metingen te kunnen monitoren. Een ondergrens voor de te monitoren geluidbelasting ligt tussen de 40 en 45 dB(A) Lden. Dit zijn de conclusies uit een onderzoek waarin metingen zijn verricht aan luchtvaartgeluid op drie lokaties in het buitengebied van luchthaven Schiphol. Het betrof een praktijkstudie naar de mogelijkheden om in het buitengebied bij relatief lage geluidbelasting op grote afstand van de luchthaven de bijdrage van vliegtuigen te monitoren. Op elke meetlocatie zijn gedurende een maand lang doorlopend geluidmetingen verricht met verschillende meetsystemen. Bij elke vliegtuigpassage zijn gelijktijdig het geluidniveau en de passagetijd geregistreerd. Na elke meetperiode zijn de passagetijden vergeleken met berekende passagetijden gebaseerd op de vluchtgegevens.
Jabben, J. en C. Potma
Rapportnummer: RIVM rapport 680001001
Jaar van uitgave: 2005 Website: Praktijkmogelijkheden Geluidmetingen Luchtvaart in het buitengebied van Schiphol (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Rapportnummer:
Jaar van uitgave: 2006 Website: Prioritaire stoffen in het milieu. Analyse van de milieudruk en -kwaliteit in Nederland over de periode 1990 - 2005 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Rapportnummer: RIVM briefrapport 607300008
Jaar van uitgave: 2008 Website: Protocol voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwaterlichamen. Een theoretisch concept (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: De methode werkt met zogeheten bioassays. Hiervoor wordt de reactie van vijf soorten organismen gepeild op het te onderzoeken water. Bij een reactie kan desgewenst uitgezocht worden welke stof hiervan de oorzaak is. Met de methode is ook het versterkende effect van meerdere stoffen bij elkaar te achterhalen. Een ander voordeel wordt behaald met een voorbehandeling met hars, waarmee de verontreiniging wordt geconcentreerd. Hierdoor is een korte test even effectief als een langlopende, en dus duurdere test, ook als het water niet acuut toxisch is. Natuurlijke factoren die de toxiciteit van water beïnvloeden zijn bovendien met deze methode uitgeschakeld. Wel blijft de toxiciteit van metalen en een beperkt deel van de organische stoffen buiten beeld. In het rapport "Toxicity measurements in concentrated water samples. Evaluation and validation.", staat de methode beschreven. De protocollen voor de uitvoering van de bioassays staan in "Protocols belonging to the report Toxicity measurements in concentrated water samples". Dit zijn technische beschrijvingen van hoe deze testen door RIVM worden uitgevoerd. Belangstellenden kunnen nu deze testen op exact dezelfde manier uitvoeren met behulp van dit naslagwerk. De rapporten: Protocols belonging to the report 'Toxicity measurements in concentrated water samples'
|
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Auteur:
Rapportnummer:
Jaar van uitgave: Website: Prozon en Propart - statistische modellen voor smogprognose (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Website: Radioactiviteit in het Nederlandse milieu: Resultaten in 2008 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Jaar van uitgave: Website: Resultaten van het Landelijk Meetnet Regenwatersamenstelling over de periode 1992-2004 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Auteurs:
Jaar van uitgave: Website: De RIVM-MNP bijdrage aan de evaluatie van het EMEP Unified model (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Rapportnummer:
Jaar van uitgave:
Website: Ruimtelijke statistiek voor de optimalisatie van het Landelijk Meetnet Regenwater: van metingen naar natte depositie door kriging (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
De Kaderrichtlijn Water verplicht de Europese lidstaten regelmatig te rapporteren over de kwalitatieve en kwantitatieve toestand van hun grond- en oppervlaktewater. Het RIVM heeft uitgezocht hoe de beschikbare grondwatergegevens uit de diverse bestanden het beste kunnen worden samengevoegd om aan deze verplichting te kunnen voldoen. Dit gebeurde in opdracht van het ministerie van VROM. Nederland beschikt over goede meetnetten die bij diverse beheerders, zoals provincies en gemeenten, zijn ondergebracht. Het is belangrijk dat het gehele systeem van meten, gegevens opslaan en rapporteren doeltreffend werkt. Onderzocht is welke gegevens- en informatiestromen er in dit systeem bestaan en in hoeverre die gestroomlijnd moeten worden. Een groot deel van de grondwatergegevens is opgeslagen in de DINO-databank, die wordt beheerd door TNO. Deze databank wordt regelmatig aangevuld met recente gegevens, die de meeste provincies en gemeenten aanleveren. Met de overige provincies en gemeenten worden contacten gelegd om alle grondwatergegevens in DINO op te slaan. De archivering, de kwaliteitsborging en uitlevering van de gegevens in DINO zijn gewaarborgd conform ISO 9002. Daarnaast is het belangrijk een route en procedures op te stellen voor de vertaalslag van de gegevens uit de DINO-databank naar het KRW-portaal, dat de monitorresultaten in een kaart weergeeft.
RIVM Rapport 607300004
Jaar van uitgave: Website: Stroomlijnen van gegevens en informatie grondwater (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: STONE is het landsdekkende nutriëntenemissiemodel dat ontwikkeld is voor het evalueren van effecten van milieu- en landbouwbeleid op de belasting met stikstof en fosfaat van het grond- en oppervlaktewater. De commissie Spiertz vroeg in 2000 om validatie van dit model. Om deze reden werd de STONE toets opgezet, waarvan in dit rapport een samenvatting gegeven wordt.
Doel van het project was het vergelijken van STONE resultaten met monitoring gegevens op verschillende schaalniveaus. Op de veldschaal werden conclusies getrokken over processen en temporele dynamiek. Op de nationale schaal werden ruimtelijke patronen en frequentiediagrammen beoordeeld. Het bleek dat STONE de mediane nitraatconcentratie in het grondwater onderschatte. De correlatie tussen de metingen en de modelresultaten bleken op de nationale schaal echter goed te zijn. Op de regionale schaal waren er wel grote verschillen, waardoor de inzetbaar van STONE voor regionale vraagstukken beperkt is.
Het gebrek aan overeenstemming tussen de gemeten en gesimuleerde nitraatconcentraties op regionale schaal dient onderzocht te worden in een aanvullend toetsingstraject. STONE berekende hogere concentraties in het drainwater dan gemeten in het oppervlaktewater. Dit wordt vermoedelijk veroorzaakt door retentie en verliezen in het oppervlaktewater. Deze hypothese kan getoetst worden door STONE te koppelen aan een oppervlaktewater model.
Rapportnummer: RIVM rapport 718201007
Jaar van uitgave: Website: Toets van STONE versie 2.0: samenvatting en belangrijkste resultaten (PDF) |
|||
|
|||
|
Nederlandse titel: Toxische druk in de Nederlandse Delta, gemeten met bioassays. Trends over de jaren 2000-2009 Samenvatting: Auteurs: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Toxic pressure in the Dutch delta measured with bioassays. Trends over the years 2000 - 2009 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: TrendMeetnet Verzuring. Monsternemingen in 2007/2008 (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Het RIVM heeft samen met diverse kennisinstituten tien veel voorkomende bodems gekarakteriseerd waar de bodemkwaliteit op orde is, zogeheten referenties voor biologische bodemkwaliteit (RBB). Hier bestonden nog geen criteria voor. Deze referenties kunnen als streefbeeld gebruikt worden om bodemgebruik duurzamer te maken.
De referenties zijn bepaald voor tien combinaties van bodemgebruik (onder andere melkveehouderij, akkerbouw en heide) en bodemtype (zand, veen, klei en loss). Dit is representatief voor driekwart van het bodemoppervlak van Nederland.
Diverse onderzoekers, onder andere op het gebied van bodemecologie, microbiologie en agrarisch bodembeheer, hebben locaties geselecteerd die volgens hun maatstaven een relatief goede bodemkwaliteit hebben. Hiervoor maakten zij gebruik van de gegevens van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) over de toestand van de bodem. Op basis van deze informatie zijn de tien referenties bepaald. Het rapport bevat ook gemiddelde waarden van de biologische, chemische en fysische eigenschappen van de bodem, evenals een maat voor de spreiding van de gegevens. De mate waarin bodemorganismen voorkomen en hun diversiteit zijn ook beschreven.
Rapportnummer: RIVM rapport 607604008
Jaar van uitgave: Website: Typeringen van bodemecosystemen in Nederland met tien referenties voor biologische bodemkwaliteit |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Twee kwaliteitsreferenties voor een 'gezonde' bodem werden opgesteld, als onderdeel van het raamwerk voor duurzaam bodemgebruik, namelijk voor melkveehouderij op zandgrond en voor halfnatuurlijk grasland op zandgrond. De referenties bestaan uit getalswaarden voor chemische, fysische, biologische en andersoortige parameters. Een stapsgewijze aanpak werd ontwikkeld voor de selectie van de krachtigste indicatoren waarmee de gezondheid van de bodem bepaald kan worden. De aanpak gaat uit van de 'ecologische diensten' van de bodem zoals bodemvruchtbaarheid, weerstand tegen stress en flexibiliteit, de bodem als buffer en reactor, en biodiversiteit. De kwaliteitsreferenties en de stapsgewijze aanpak zijn in opdracht van het Ministerie van VROM opgesteld. De gegevens zijn afkomstig uit het databestand van de langjarige monitoring met de Bodembiologische indicator (Bobi) in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). De achtergrond is het veranderende bodembeleid: niet meer de bescherming van de bodem staat centraal, maar de duurzaamheid van het bodemgebruik.
Rapportnummer: RIVM rapport 607604007
Jaar van uitgave: 2005 Website: Typeringen van bodemecosystemen. Duurzaam bodemgebruik met referenties voor biologische bodemkwaliteit (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Het belangrijkste doel van deze berekeningen is te bepalen of en in welke vorm er tijdens de sanering metingen moeten worden uitgevoerd om de luchtkwaliteit in de omgeving te bewaken en eventuele blootstellingsrisico's van omwonenden te beperken. In deze studie hebben we gegevens verzameld van 10 bodemsaneringen om het model te valideren en de bruikbaarheid te beoordelen. We hebben het onderzoek gericht op acht stoffen, die verreweg het meest voorkomen in bodem- en grondwaterverontreinigingen in Nederland.
De resultaten geven aan dat het model voor de meeste van deze stoffen concentraties in de leefomgeving berekent die redelijk goed overeenkomen met de gemeten waarden. Voor twee stoffen, beide met een relatief hoge dampdruk, vallen de berekende concentraties systematisch hoger uit dan de gemeten waarden. Mennen, M.G. en M.H. Broekman
Rapportnummer:
Jaar van uitgave: Website: Validatie van het model DIVOCOS (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Rapportnummer:
Jaar van uitgave: Website: Van inzicht naar doorzicht, Beleidsmonitor water, thema chemische kwaliteit van oppervlaktewater (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: De tritiumconcentraties leverden waarden op voor de reistijden in de bodem en de aanvulling door de neerslag van het bemonsterde grondwater. In 45 monsters was de 3H concentratie lager dan de detectiegrens. In bepaalde gebieden komt oppervlakkige afvoer van de neerslag voor, zodat de aanvulling van het grondwater kleiner is dan het neerslagoverschot. De belangrijkste oorzaak is het voorkomen van slecht doorlatende lagen in de ondiepe bodem. De analyse van de PMG gegevens toont echter aan dat nog andere factoren een rol kunnen spelen zoals het geringe doorlaatvermogen van de ondergrond in Oost-Gelderland en in delen van De Peel en het voorkomen van Holocene kleilagen in het kustgebied. Het betreft relatief kleine gebieden, zodat de eerder gegeven beelden van de reistijden en de aanvulling van het grondwater gebaseerd op het landelijk meetnet in het algemeen geldig blijven. Website: Verblijftijd in de bodem en grondwateraanvulling van water uit het Landelijk (LMG) en de Provinciale Meetnetten Grondwaterkwaliteit (PMG) (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Dit rapport maakt een vergelijking tussen de schattingen van het aantal slaapverstoorden volgens de methodiek van het slaapverstoringsonderzoek rondom Schiphol en de methodiek zoals beschreven in de PKB Schiphol. De resultaten laten zien dat zowel met gebruikmaking van het verband tussen vliegtuiggeluid en slaapverstoring uit de PKB als met die uit het slaapverstoringsonderzoek het aantal slaapverstoorden - na ingebruikname van de vijfde baan - voldoet aan de in de PKB beoogde verbetering ten opzichte van 1990. Binnen de grenswaarden van vliegtuiggeluid bedraagt het aantal slaapverstoorden in de 20 dB(A) nachtcontour volgens de PKB-systematiek 18.800. Volgens de systematiek van het slaapverstoringsonderzoek komt dit op 28.400 uit. Het merendeel van dit verschil (8.000 van de 9.600) is toe te schrijven aan verschillen in actualiteit en de gebiedsdekkendheid van de woning- en bevolkingsbestanden waarmee de aantallen slaapverstoorden worden bepaald. De rest (1600) kan worden verklaard uit het verschil in het verband tussen vliegtuiggeluid en slaapverstoring. Uit het rapport blijkt daarnaast dat, wanneer naar een groter gebied dan de 20 dB(A) contour gekeken wordt, de afname van het aantal slaapverstoorden minder is dan binnen die contour. Het aantal slaapverstoorden binnen de grenswaarden van vliegtuiggeluid daalt ten opzichte van 1990, maar neemt weer toe ten opzichte van 2001, zowel binnen de 20 dB(A) nachtcontour als binnen het grotere gebied.
Auteurs:
Rapportnummer: RIVM rapport 441520020
Jaar van uitgave: Website: Vergelijking schattingen slaapverstoringsonderzoek Schiphol met referentiegetal PKB Schiphol (PDF) |
|||
|
|||
|
Samenvatting: Auteurs: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Voorstellen voor trendberekening in grondwater voor de KRW |
|||
|
|||
|
Samenvatting:
Met de resultaten in dit rapport kan de kwaliteit van de flora worden berekend. Het doel van dit rapport is te onderzoeken of het LMF-M&N bruikbaar is voor de graadmeter Natuurwaarde. De benodigde keuzes die aan de voorgestelde methode ten grondslag liggen worden onderbouwd en expliciet vast gelegd, zodat de Natuurwaarde voor de flora reproduceerbaar en verbeterbaar is. De aanleiding voor dit rapport is het vrijkomen van data uit een nieuw meetnet, het Landelijk Meetnet Flora - Milieu- en Natuurkwaliteit. De berekening van de Natuurwaarde met de LMF-M&N gegevens, is op een aantal punten, een verbetering voor de bepaling van de Natuurwaardegraadmeter.
Voor de kwaliteitsberekening van de flora voor de Tweede Natuurverkenning (2002) werd nog gebruik gemaakt van presentie/ absentie data per kilometerhok uit FLORBase. Het LMF-M&N, daarentegen meet niet alleen de presentie/ absentie van soorten, maar meet ook de abundantie per soort. Het gebruik van deze abundanties kan de Natuurwaardegraadmeter veel gevoeliger maken. Ontwikkelingen in de kwaliteit van de Nederlandse natuur kunnen veel frequenter worden gesignaleerd omdat een meetronde van het LMF-M&N maar vier jaar duurt. In dit rapport zijn keuzes beschreven aangaande de gebiedsindeling, soortselectie de bepaling van de berekeningswijze van de kwaliteit van de flora. Het gaat om: De bepaling hoe gegevens uit het LMF-M&N en de referentie kunnen worden gebruikt voor de berekening voor de Natuurwaarde. de bepaling van de precieze berekeningsgrondslag/ methode voor het kwaliteitsaspect van de Natuurwaarde. De selectie van kenmerkende soorten voor de bepaling van de florakwaliteit. Aanbevelingen voor verbeteringen van de soortselectie en het referentie-onderzoek.
Alle resultaten overziend lijkt het dat voor de volgende strata een betrouwbare Natuurwaarde berekend kan worden: hogere zandgrond halfnatuurlijk grasland, laagveen halfnatuurlijk grasland, laagveen moeras en rivierengebied halfnatuurlijk grasland. De rest van de strata hebben onvoldoende gescoord op een of meerdere overwegingen.
Auteurs:
Rapportnummer: RIVM rapport 718101002
Jaar van uitgave: Website: Waarde van het Landelijk Meetnet Flora - Milieu- en Natuurkwaliteit voor de bepaling van de Natuurwaarde van de Flora (PDF) Email:bart.deknegt@pbl.nl |
|||
|
|||
|
Volledige titel: Gebiedsgericht grondwaterbeheer in de praktijk: Gebiedsafbakening, aanpak bronzone, procedure voor monitoring, (risicogebaseerde) toetsing grondwaterkwaliteit, kosten-batenanalyse. Samenvatting: Gebiedsgericht grondwaterbeheer vraagt om een aanpak die is toegespitst op de specifieke omstandigheden van de locatie. Om dit Gebiedsgeicht grondwaterbeheer te faciliteren heeft het RIVM op verzoek van het ministerie van I&M enkele algemene praktische aanwijzingen opgesteld. Deze zijn gericht op een methode om de afbakening van het beheersgebied te bepalen en om de bronzone voor grondwaterverontreiniging aan te pakken. Ook is een procedure opgesteld om het grondwater te monitoren, wordt de beoordeling van de grondwaterkwaliteit belicht en een kosten-batenanalyse besproken. Deze informatie vult bestaande relevante documenten aan, zoals de Handreiking gebiedsgericht grondwaterbeheer uit 2010 die eveneens in opdracht van I&M werd opgesteld. Auteurs: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Gebiedsgericht grondwaterbeheer in de praktijk |
|||
|
|||
|
Samenvatting: In dit rapport wordt een alternatieve methode voorgesteld waarmee, met de huidige beschikbare gegevens, de emissies van alle metalen berekend kunnen worden. Tevens worden enkele aanbevelingen gedaan om de kwaliteit van de beschikbare gegevens verder te verbeteren. Verder worden in dit rapport aanbevelingen gedaan voor het vergaren van de noodzakelijke basisgegevens voor het gebruik van een meer geavanceerde methode. Daartoe moeten voor het berekenen van de aanvoer met dierlijke mest metaalgehalten in krachtvoer gemeten worden. Voor het berekenen van de aanvoer met de jacht moeten gegevens over de gebruikte hagelsoorten verzameld worden. Auteurs: Jaar van uitgave: Website: Emissie van zeven zware metalen naar landbouwgrond (PDF) |
|||
|
|||
|
Nederlandse titel: Abstract:
The major outcome of the project is the observatory itself. We now have a world class observatory for atmospheric studies. It is one of the few stations worldwide with which one can study climate relevant processes in the context of atmospheric chemistry, physics, hydrology and meteorology. The CESAR database is easily accessible to the scientific community. CESAR Observatory is one of the major research facilities in The Netherlands. It serves the atmospheric community at seven research institutes and agencies: the universities of Delft, Wageningen and Utrecht, ECN Energy Research Centre of The Netherlands, TNO Applied Scientific Research, RIVM National Institute for Public Health and the Environment, and KNMI Royal Netherlands Meteorological Institute. Furthermore, the observatory is also supported by the European Space Agency. The observatory is hosted and operated by the KNMI. CESAR data are used for a wide range of applications, e.g.:
An important advantage of the site is its location: both close to the sea and to some of the major European industrial and populated areas. This location leads to a large variety of air mass types at the site. Other advantages are its long term dataset of advanced parameters, the coinciding location of the different instruments, and the area around the site, which is flat and has suffered only minor landscape developments since 1972. Auteurs: Jaar van uitgave: Rapportnummer: Website: Synthesis report CS02: Monitoring and profiling with CESAR Observatory (te downloaden als PDF) |
|||
|
|||
|
Volledige titel: Samenvatting: Auteurs: Rapportnummer: Jaar van uitgave: Website: Monitoringsrapportage NSL: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit 2011 |
|||
| Websites (4) | |||
|
|||
|
De Nationale Atlas Volksgezondheid brengt de Nederlandse volksgezondheid en zorg in kaart. De Atlas toont de geografische spreiding van allerlei aspecten omtrent gezondheid, factoren die de gezondheid beïnvloeden, zorg en preventie. Organisatie: RIVM Website: Nationale Atlas Volksgezondheid Email:atlas@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Het Milieuportaal biedt toegang tot de milieu-informatie van het RIVM. Het richt zich op professionals, zoals beleidsmedewerkers van het ministerie van I&M, van regionale en lokale overheden, GGD-medewerkers en medewerkers van de brandweer. Organisatie: RIVM Website: Milieuportaal Email:birgit.loos@rivm.nl |
|||
|
|||
|
De digitale milieuatlas is een instrument waarmee inwoners van de regio Stedendriehoek digitaal informatie kunnen ophalen over milieuonderwerpen in hun eigen leefomgeving. Tot op postcodeniveau kan men bekijken wat de stand van zaken is met betrekking tot bijvoorbeeld:
Organisatie: de regio Stedendriehoek bestaat uit de gemeente Apeldoorn, Epe, Zutphen, Deventer, Bummen, Voorst en Lochem. De online Milieuatlas is een initiatief van de gemeenten in de Stedendriehoek in samenwerking met de provincie Gelderland, het ministerie van Infrastructuur & Milieu en het RIVM. Website: Milieuatlas Regio Stedendriehoek |
|||
|
|||
|
De Atlas Leefomgeving is een website waarmee burgers en professionals informatie over hun leefomgeving op het gebied van milieu en gezondheid op kunnen vragen. De site optimaliseert alle beschikbare overheidsinformatie door deze toegankelijk, begrijpelijk en vergelijkbaar te presenteren met behulp van innovatieve ICT. Met de Atlas voldoet Nederland in één keer aan toekomstige Europese ontwikkelingen, zoals INSPIRE en SEIS. De eerste release van de Atlas Leefomgeving staat gepland voor eind 2010. Op de website Atlas Info is alle informatie over het programma Atlas Leefomgeving te vinden. Organisatie: ministerie van I&M in samenwerking met een aantal gemeenten, provincies, een milieudienst en diverse landelijke instellingen. De ambitie is dat in 2020 alle gemeenten en provincies aangesloten zijn. Verder zijn diverse belangenorganisaties en kennisinstituten bij het project betrokken, zoals het RIVM, PBL, IPO, VNG, EL&I, Alterra, GGD'en, Astmafonds, Vereniging Eigen Huis. Website: Atlas Info Email:redactie@portaal.atlasinfo.nl |
|||
Deskundigen |
|||
| Monitoring deskundigen (4) | |||
|
|||
|
Organisatie:
Postadres: Website: RIVM Email:birgit.loos@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Organisatie:
Postadres: Website: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) Email:Ruben.Beijk@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Organisatie:
Adres: Website: http://www.lml.rivm.nl Email:derko.drukker@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Organisatie: Functie/taken:
Telefoon: 030 - 274 9111 Website: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) Email:arnoud.de.klijne@rivm.nl |
|||
Systemen en projecten |
|||
| Monitoringactiviteiten (14) | |||
|
|||
|
Luchtverontreiniging in regio, stad en straat. Concentraties van de volgende stoffen: -gasvormige componenten (koolmonoxide, ozon, stikstofmonoxide, stikstofdioxiode, andere stikstofoxiden, zwaveldioxide, amoniak, vluchtige organische stoffen, zeer vluchtig organische stoffen, koolstofdioxide, methaan en fluoriden); -deeltjesgebonden en deeltjesvormige componenten (fijne stof en zwarte rook); -verzurende stoffen (ammonium, nitraat, sulfaat); -metalen (arseen, cadmium, calcium, lood en zink); -persistent organische componenten. Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit; 55 meetlocaties (35 regionale, 7 stad en 13 straat locaties) met automatische analysers en actieve/passieve monsternemers. Vanuit automatische analysers wordt ieder uur informatie over concentraties doorgezonden naar het RIVM. Deze gegevens worden weer automatisch op internet en teletekst geplaatst. De monsters worden in een laboratorium geanalyseerd. RIVM - MEV-LVM Ja, o.a. via website Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit |
|||
|
|||
|
Concentraties van stikstofdioxide (NOx), fijn stof (PM10), benzo(a)pyreen, benzeen (C6H6) en koolmonoxide (CO) langs wegen in steden. Gegevens van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit en modelberekeningen. RIVM MNP Ja, o.a. via Milieucompendium en Milieubalans |
|||
|
|||
|
Gehalte aan zware metalen, bestrijdingsmiddelen en vermestende stoffen in bodem en/of grondwater van verschillende grondgebruik/grondsoort-combinaties. Gemeten parameters: -bodemfysische parameters (pH, lutum, organische stof en CEC) -zware metalen (koper, lood, cadmium, zink, chroom, kwik en nikkel) -Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK) -Organochloorbestrijdingsmiddelen (o.a. lindaan, drins, DDT) -Triazines -Fosfaatverzadiging -profielbeschrijvingen van de bovenste 120 cm van de bodem. In de grondwatermonsters worden de volgende parameters geanalyseerd: -pH en DOC -zware metalen (cadmium, lood, chroom, koper, zink en arseen) -overige metalen (Al, Ba, Ca, Fe, Mg, Mn, Na en Sr) -vermestende stoffen (tot. P, ortho-P, NH4, Cl, NO3, SO4 en K) De 10 verschillende grondgebruik/grondsoort combinaties zijn: 1) melkveehouderij lage veedichtheid-zand 2) melkveehouderij hoge veedichtheid-zand 3) melkveehouderij met intensieve veehouderijtak-zand 4) bos-zand/strooisel 5) akkerbouw-zand 6) melkveehouderij-veen 7) akkerbouw-zeeklei 8) melkveehouderij-rivierklei 9) melkveehouderij-zeeklei 10) tuinbouw/bollenteelt-klei/zand Het meetnet bevat 200 meetlocaties: 20 locaties per grondgebruik/grondsooort-combinatie. In een periode van 5 jaar worden elk jaar de locaties van 2 grondgebruik/grondsooort-combinaties bemonsterd. De 1e meetronde was van 1993-1997, de 2e van 1999-2003. In 2005 is een nieuwe meetronde van start gegaan. Momenteel wordt elke locatie c.q. elke grondgebruik/grondsoort-combinatie dus iedere 6 jaar opnieuw bemonsterd. Bemonsteringsstrategie: -toplaag van de bodem (0-10 cm-mv), 320 steken per lokatie, verdeeld over 4 mengmonsters -diepere bodemlaag (30-50 cm-mv), 16 steken per lokatie, verdeeld over 1 mengmonster -bovenste grondwater, 16 putten per lokatie, verdeeld over 4 mengmonsters Het beheer en de organisatie van het meetnet is in handen van het RIVM. De bemonstering en laboratorium-analyses wordt door TNO-NITG uitgevoerd. LEI levert gegevens over betreffende landbouwbedrijven. LEI RIVM-MEV-LVM Ja, op te vragen en via publicaties. Er wordt aan gewerkt om de gegevens via internet beschikbaar te stellen. |
|||
|
|||
|
Gegevens over voortgang bodemsaneringsopreatie. Tevens gegevens t.b.v. van Landsdekkend Beeld, (de 'werkvoorraad' nog te saneren en te onderzoeken lokaties). -Lokatie -Fase -Inzet van middelen -Inzet van financiële en juridische instrumentenie Zie voor meer informatie Bijlagen 8 en 9 bij Regeling Financiële Bepalingen Bodemsanering en Handboek Monitoring Bodemsanering Provincies en aangewezen gemeenten leveren gegevens aan aan RIVM, meestal in Globis-format. Gemeenten Provincies RIVM Ja |
|||
|
|||
|
Informatie over de (mogelijke) ontwikkeling van het milieu de komende 30 jaar. Op basis van diverse monitoringsactiviteiten. MNP-RIVM Ja |
|||
|
|||
|
-Voor verschillende niveaus van het plaatsgebonden risico: >Blootgestelde woningen; >Blootgestelde inwoners; >Blootgesteld oppervlak. -Groepsrisico. Het RIVM laat het NLR (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium) jaarlijks de risico's rondom Schiphol berekenen. NLR RIVM Ja |
|||
|
|||
|
De risico's rondom VR-plichtige bedrijven (bedrijven die in het kader van het Besluit Risico's Zware Ongevallen verplicht zijn een Veiligheidsrapport op te stellen). Per VR-plichtig bedrijf: -het groepsrisico (kans op een ramp van bepaalde omvang); -de overschrijding van de norm voor het groepsrisico; -het individuele plaatsgebonden risico (de kans die een denkbeeldig persoon loopt om op een bepaalde plek dodelijk te worden getroffen). Op basis van gegevens uit de veiligheidsrapporten van VR-plichtige bedrijven. De meest risicovolle bedrijven zijn in het kader van het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO) verplicht een veiligheidsrapport op te stellen. Het bevoegd gezag moet dit veiligheidsrapport goedkeuren. Het bevoegd gezag stuurt de goedgekeurde veiligheidsrapporten naar het Ministerie van VROM, die deze weer doorstuurt naar het RIVM. Het RIVM maakt op basis van deze gegevens een landsdekkend beeld. Ministerie van VROM Bedrijven Bevoegd gezag RIVM Ja, o.a. via MilieuCompendium: -Risicobronnen in Nederland; -Groepsrisico: de kans op een ramp in Nederland per bedrijfstak; -Overschrijding norm groepsrisico in Nederland; -Het plaatsgebonden risico in Nederland. |
|||
|
|||
|
Gegevens van bedrijven die onder BRZO vallen (Besluit Risico's Zware Ongevallen). Onderscheid tussen PBZO- en VR-bedrijven: PBZO-bedrijven zijn bedrijven die over een veiligheidsbeheerssysteem moeten beschikken (Preventie Beleid Zware Ongevallen), VR-bedrijven tevens over een door het bevoegd gezag goedgekeurd veiligheidsrapport (VR). Het RIVM laat jaarlijks door adviesbureau AVIV een inventarisatie uitvoeren naar BRZO-bedrijven. AVIV doet hiervoor navraag bij bevoegde gezagen. Deze gegevens worden gecontroleerd bij het Ministerie van SZW en de VROM-Inspectie aan de hand van bij hen bekende gegevens over risicovolle bedrijven. RIVM Ja |
|||
|
|||
|
Kwaliteit van het ondiepe grondwater van bos- en heidevelden op zandgronden. (Dit vanwege het ontbreken van directe effecten van bemesting). De volgende parameters worden gemeten: -pH, EC en DOC; -Vermestende stoffen (totaal-fosfaat, anorganisch fosfaat, ammonium, chloride, nitraat, sulfaat en kalium); -Zware metalen (cadmium, lood, chroom, koper, zink en arseen); -Overige metalen (aluminium, barium, calcium, magnesium, mangaan, natrium en strontium). Geen continue monitoring (in 2005 geen meting). In een bepaalde periode worden op de circa 155 vaste locaties, verspreid over bos- en heidevelden op zandgronden, meerdere grondwatermonsters genomen van het ondiepe grondwater (tot 6 meter). Tien grondwatermonsters worden genomen over de langst mogelijke transsect van de lokatie en samengevoegd tot een mengmonster. De onderlinge afstanden van de monsterpunten bedraagt 50 meter. Indien de transsect niet lang genoeg is wordt bemonsterd langs de middelloodlijn op de transsect. De afstand tot de rand van het natuurgebied bedraagt minimaal 20 m. Het RIVM (MEV-LVM) voert de monsternames en analyses uit. RIVM-LVM De gegevens van de laatste meetronde zijn onder voorwaarden gratis beschikbaar. Er wordt over nagedacht om de gegevens op internet te publiceren. |
|||
|
|||
|
Gegevens over voortgang bodemsaneringsoperatie. Tevens gegevens t.b.v. van Landsdekkend Beeld, (de 'werkvoorraad' nog te saneren en te onderzoeken lokaties). -Lokatie; -Fase; -Inzet van middelen; -Inzet van financiële en juridische instrumentenie. Zie voor meer informatie Bijlagen 8 en 9 bij Regeling Financiële Bepalingen Bodemsanering en Handboek Monitoring Bodemsanering. Wbb-gemeenten en RIVM Ja. |
|||
|
|||
|
|
|||
|
|||
|
|
|||
|
|||
|
|
|||
|
|||
|
|
|||
| Monitoringsystemen en -projecten (12) | |||
|
|||
|
Het Derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet omvat driehonderd graslandbedrijven. Het Derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Organisatie: RIVM en LEI Website: Derogatieonderzoek (website RIVM) Email:info@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG) is opgebouwd uit circa 350 vaste meetpunten verspreid over geheel Nederland. Binnen het LMG wordt de kwaliteit van het ondiep en middeldiep grondwater in Nederland vastgesteld. Daartoe kan op elk meetpunt via een permanent geïnstalleerde grondwaterput het grondwater opgepompt worden vanaf een diepte van circa 10, 15 en 25 meter onder maaiveld. Het LMG wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband tussen TNO en het RIVM. Website: Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit Email:dico.fraters@rivm.nl |
|||
|
|||
|
In het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) wordt de luchtkwaliteit op leefniveau bepaald. Dit gebeurt op basis van metingen van tientallen stoffen. De website presenteert een overzicht van de gemeten stoffen, de circa 60 locaties en een gedeelte van de resultaten, zoals actuele meetwaarden en overschrijdingen. Het LML wordt uitgevoerd door het RIVM. Website: Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit Email:daan.swart@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Het Nationaal Meetnet Radioactiviteit (NMR) is een waarschuwingsmeetnet voor stralingsongevallen. Bij een ongeval geeft het NMR inzicht in omvang en verloop van de radioactieve besmetting. Onder normale omstandigheden levert het NMR informatie over de natuurlijke achtergrondstraling. Het NMR wordt uitgevoerd door het RIVM. Website: Nationaal Meetnet Radioactiviteit Email:info@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Aan de hand van metingen en modellen brengt het RIVM de ontwikkeling van de geluidbelasting in Nederland en de daarmee gepaard gaande effecten in kaart. De metingen zijn gericht op geluidbronnen die de belangrijkste verstoring veroorzaken van de natuurlijke geluidkwaliteit in de leefomgeving en die uit enquêtes als de grootste hinder- en klachtenveroorzakers komen. Het betreft omgevingsgeluid afkomstig van wegverkeer, railverkeer en luchtvaart. Organisatie: RIVM Website: Geluidmeetnet Email:jan.jabben@rivm.nl |
|||
|
|||
|
In het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) wordt bij landbouwbedrijven en in bosgebieden de bodemkwaliteit in kaart gebracht. Het meetnet is zodanig ingericht dat relaties gelegd kunnen worden met belastinggegevens vanuit diffuse bronnen zoals de landbouw en depositie.
Het LMB wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van I&M. Website: Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) Email:manon.zwart@rivm.nl |
|||
|
|||
|
De Inventarisatie Verstoringen betreft een vijfjaarlijkse nationale inventarisatie van hinder door geluid, geur, trillingen en licht. De inventarisatie vormt de basis voor eventuele aanpassingen van het beleid. Organisatie: Website: Centrum voor Milieu, Gezondheid en Omgevingskwaliteit (MGO) Email:mgo@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) heeft tot doel het beschrijven en verklaren van de huidige kwaliteit van het recent gevormde grondwater in relatie tot milieudruk en beleidsmaatregelen (LMM-EM). Een tweede doel is verkennend onderzoek naar veranderingen in de landbouwpraktijk en de gevolgen daarvan voor de kwaliteit van het recent gevormde grondwater (LMM-VM). LMM-website RIVM (o.a. over monsterneming en ontwikkeling grondwaterkwaliteit) Email:lmm@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) heeft als hoofddoelen het verbeteren van de luchtkwaliteit ten behoeve van de volksgezondheid en het bieden van ruimte voor en bijdragen aan de onderbouwing van ruimtelijke projecten. Website: NSL op InfoMil.nl Email:info@infomil.nl |
|||
|
|||
|
In het TrendMeetnet Verzuring (TMV) wordt de kwaliteit van het bovenste grondwater onder natuurgebieden op zandgrond in Nederland vastgesteld. Hiertoe wordt op 155 locaties het bovenste grondwater bemonsterd en geanalyseerd.
Het TrendMeetnet Verzuring wordt door het RIVM geëxploiteerd in opdracht van het ministerie van I&M. Website: TrendMeetnet Verzuring (TMV) Email:esther.wattel@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Met het Meetnet Hemelhelderheid Nederland wordt een beeld verkregen van de donkerte in de nacht en de variatie daarin. Het meetnet bestaat uit 9 locaties waar continu wordt gemeten. De metingen worden tevens gebruikt voor validatie van modellen voor hemelhelderheid en voor validatie van satellietmetingen. Organisatie: RIVM Website: Meetnet Hemelhelderheid Nederland Email:info@rivm.nl |
|||
|
|||
|
Het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden brengt de invloed in beeld van ammoniakbronnen buiten de natuur op natuurgebieden. Het meetnet werd in 2005 opgezet om ammoniakconcentraties in de natuur te volgen en de modelberekeningen van de concentratie te toetsen. De metingen vinden plaats in Natura 2000 gebieden. Het meetnet levert ook een bijdrage aan de ‘Programmatische Aanpak Stikstof’ (PAS) van het ministerie van EL&I.
De bijbehorende rapporten zijn via de gerelateerde items te bekijken.
Contactpersonen: Margreet van Zanten (RIVM): margreet.van.zanten@rivm.nl Eric Noordijk (PBL): eric.noordijk@pbl.nl Website: Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (website RIVM) |
|||